page contents
Army unit insignia

Dutchhelmets

De Nederlandse stalen helm 1916-1992


Onderscheidingstekenen van de Koninklijke Landmacht


Nagenoeg alle hieronder getoonde emblemen zijn absoluut origineel. Van enkele emblemen heb ik mijn twijfels en heb ik dit als onderschrift bij de betreffende emblemen toegevoegd. Alle informatie om te kunnen vaststellen of deze origineel zijn of niet wordt erg gewardeerd.

Mocht u twijfels hebben bij andere emblemen, dan vermeen ik dit graag met de reden waarom.


Emblemen van het Korps Commandotroepen en alle voorgangers kunt u vinden op de sub-pagina KCT in het Special Operations Forces omgeving.


Emblemen waarvan ik zeker weet dat deze commercieel aanmaak of reproductie zijn, worden geplaatst op de pagina Commerciële aanmaak/Reproductie.



Petemblemen gedragen vanaf 1940


De Petembleem, model 1940, ook wel petleeuw of baretleeuw genoemd, werd bij Ministeriële Beschikking (MB) van 19 juni 1940 vastgesteld. De eerste modellen werden in het Verenigd Koninkrijk en in Australie geproduceerd en na de bevrijding van Nederland, werden de petleeuwen in Nederland geproduceerd.


Door opperofficieren werd een matgouden Petembleem, model 1940 gedragen op een rode band. Vanaf 25 april 1941 werd de matgouden Petembleem, model 1940 op rode band ook door kolonels gedragen. Vanaf 9 juni 1944 werd door opperofficieren en kolonels een in gouddraad geborduurd Petembleem, model 1940 op een rode band gedragen.

Door hoofdofficieren (vanaf 25 april 1941 beneden de rang van kolonel) werd een matgouden Petembleem, model 1940 gedragen. Deze verviel bij MB op 27 februari 1960.

Door subalterne officieren, adjudanten, vaandrigs en kornetten werd een bronzen Petembleem, model 1940 gedragen. Deze verviel bij MB op 27 februari 1960.

Militairen beneden de rang van adjudant droegen een geelkoper Petembleem, model 1940. Deze verviel bij MB op 27 februari 1960.


De Petembleem, model 1940 zoals hierboven beschreven werd al vanaf 1940 ook op baretten en veldmutsen gedragen, echter werd pas bij MB van 9 juni 1944, nr.13 officieel als baretembleem vastgesteld. Bij MB van 9 november 1946, nr. 920 verviel de Petembleem, model 1940 als baretembleem, toen de nieuwe onderscheidingstekenen werden ingevoerd. De Petembleem, model 1940 werd op de baret met een oranje of zwart gekleurde ondergrond gedragen en mocht tot 30 januari 1951 worden afgedragen.


Bij MB werd vanaf 9 juni 1944 de Petembleem, model 1940 ook op de veldmuts gedragen. Dit verviel bij MB van 9 augustus 1946.



In 1953 is een nieuw petembleem ingevoerd, ook wel Petembleem, model 1953 genoemd, die specifiek bestemd is voor cadetten van de Koninklijke Militaire Academie (KMA).

Tijdens beeldonderzoek heb ik kunnen vaststellen dat deze embleem al op 22 juli 1953 werd gebruikt op de KMA, mogelijk al iets eerder.


Dit nieuw petembleem werd gevormd door een rond, oranje schild met parelrand. In de schild was de heraldische klimmende leeuw geplaatst het geheel werd gedekt door de Koninklijke kroon. De onderste helft van de petembleem wordt omkranst door takken van oranjeloof.

De petembleem was gedrukt uit lichtmetaal en tot heden heb ik 2 varianten kunnen ontdekken; een 'lichte' variant die zich kenmerkt door 2 smalle buiglippen en een 'zware' variant die zich kenmerkt door 2 brede buiglippen. De zware variant is gedrukt uit iets dikker metaalplaat en is iets donkerder van kleur.


De Petembleem, model 1953 heeft als voorbeeld gediend voor de later ingevoerde Petembleem, model 1960.


Foto genomen op 22 juli 1953, van een cadet op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) tijdens een bezoek van H.M. Koningin Juliana en Z.K.H. Prins Bernhard ter viering van het 125-jarig bestaan van de KMA. Op de achtergrond zijn Indonesische cadetten te zien in het wit gekleed.


De cadet draagt eeen Ceremoniële Tenue met op zijn pet duidelijk zichtbaar een metalen Petembleem, model 1953.



Met het vervallen van de Petembleem, model 1940 op 27 februari 1960, werd tegelijkertijd een nieuw metalen pet embleem vastgesteld, ook wel Petembleem, model 1960 genoemd.

Dit nieuw petembleem werd gevormd door een rond, oranje schild met parelrand. In de schild was de heraldische klimmende leeuw geplaatst het geheel werd gedekt door de Koninklijke kroon. De petembleem werd volledig omkranst door takken van oranjeloof voor officieren en adjudant-officieren, tot halverwege de ronde schild omkranst door takken van oranjeloof voor onderofficieren beneden de rang van adjudant en niet omkranst voor korporaals en manschappen.

Cadetten van de KMA droegen een iets gewijzigde model zoals deze door de onderofficieren beneden de rang van adjudant werd gedragen.


De oudere emblemen werden gestanced uit plaatmateriaal terwijl de nieuwere emblemen worden gegoten.



De Hoedemblemen.


Vanaf 1953 werden ook hoedemblemen ingevoerd, bestemd door hoeden die door vrouwelijke militairen werden gedragen. In totaal zijn er twee modellen in gevoerd die verschillende variaties hadden, afhankelijk van de rang. De hoedemblemen zijn alleen gedragen op de Hoed, Dames, model 1953 en de Hoed, Dames, model 1962. Op de overige hoeden werd de Petembleem, model 1960 als hoedembleem gedragen.


Op de Hoed, Dames, model 1953 werd de Hoedembleem, model 1953 gedragen. Hiervan waren twee varianten, een geborduurde variant voor officieren en een metalen gedrukte variant voor onderofficieren. De embleem voor officieren had een afmeting van ongeveer 34mm bij 34mm met een donkerbruin achtergrond met een afmeting van ongeveer 38mm bij 38mm.

De metalen variant was nagenoeg identiek aan de Petembleem, model 1953 welke door cadetten op de KMA werd gedragen. Enige verschil was het ontbreken van de krans bij het model welke door MILVA onderofficieren werd gedragen. Vanaf 1960 werd een iets gewijzigde model ingevoerd als Petembleem, model 1960 die door korporaals en manschappen werden gedragen.


Op de Hoed, Dames, model 1962 werd de Hoedembleem, model 1962 gedragen. Hiervan waren drie varianten, een voor officieren, een voor onderofficieren en een voor korporaals en manschappen. De hoedembleem was geplaatst op een bruin achtergrond van laken.

De embleem voor officieren had een afmeting van ongeveer 50mm hoog bij 45mm breed en de achtergrond had een afmeting van ongeveer 56mm bij 56mm.

De embleem voor onderofficieren had een afmeting van ongeveer 50mm hoog bij 43mm breed en de achtergrond had een afmeting van ongeveer 56mm bij 56mm.

De embleem voor korporaals en manschappen had een afmeting van ongeveer 42mm hoog bij 24mm breed en de achtergrond had een afmeting van ongeveer 45mm bij 42mm.



Bijzondere onderscheidingstekenen ingevoerd vanaf 1947


Bij Ministeriële Beschikking van 9 Nov. 1946 Nr. 920 verschenen werden de verschillende onderscheidingstekenen voor de Koninklijke Landmacht vastgelegd, met uitzondering van de Luchtstrijdkrachten en het Vrouwenhulpcorps.


De kleuren werden vastgelegd als z.g. standaardkleuren. Waar dit mogelijk werd de keuze gebaseerd op gegevens der traditie. In andere gevallen werd de keuze bepaald op aesthetische gronden of om redenen door welke de betekenis van het wapen of dienstvak beter tot uitdrukking werd gebracht.


De bij de Koninklijke Landmacht ingevoerde onderscheidingstekenen werden in 4 groepen verdeeld, nl.:

- Rangonderscheidingstekenen,

- Korpsonderscheidingstekenen,

- Wapenonderscheidingstekenen en

- Bijzondere onderscheidingstekenen.


Bijzondere onderscheidingstekenen werden gedragen op;

- de linkerbovenmouw: het voor alle militairen van de Koninklijke Landmacht geldende onderscheidingsteken van de Nederlandse Leeuw met de wapenspreuk: „Je maintiendrai",


- de rechterbovenmouw: het onderscheidingsteken voor grote eenheden (ie Divisie „7 December", 2e divisie, T.B.N., M.v.O. enz.),


- de linkerborst: het onderscheidingsteken voor bijzondere hogere vakbekwaamheid (Generale Staf, Intendance enz.),


- de benedenmouw : de reeds vastgestelde en nog nader vast te stellen onderscheidingstekenen voor bijzondere vakbekwaamheid.



Nationaliteitsemblemen.


Per Ministeriële Beschikking (MB) van 19 juni 1940 (Nr. 17) werd bepaald dat Nederlandse militairen in Engeland gekleed zouden worden zoals de Britse troepen, echter met Nederlandse onderscheidingstekenen. Bepaald werd dat op de linker bovenmouw een oranje kleurig en naar rechts klimmende Nederlandse leeuw (uit het Rijkswapen) gedragen zou worden. De leeuw ruste op een banderol met het woord 'NEDERLAND' erin. Kenmerkend is dat dit model uitgevoerd was met een Koningskroon.


Per MB van 23 april 1946 (Nr. 901) werd bepaald dat de mouwleeuw vervangen zou worden door een heraldisch juiste mouwleeuw. De Koningskroon werd vervangen voor de helmkroon, de leeuw ruste niet meer op de banderol en het woord 'NEDERLAND' werd vervangen voor 'JE MAINTIENDRAI'.

Oude exemplaren met het woord 'NEDERLAND' erin mochten afgedragen worden tot 30 januari 1951 (MB Nr. 1034).


In februari 1967 verscheen een herdruk van MB Nr. 253.259 (27 februari 1960) waarin de mouwleeuw duidelijker werd omschreven en aangeduid als 'Mouwembleem Koninklijke Landmacht'.


Vanaf 1978 werd op het nieuw ingevoerde gevechtstenue M78, op beide mouwen  een zogenaamde 'nationaliteitsembleem gevechtskleding' gedragen. De afmeting was 50mm bij 25mm en bestond uit 3 horizontale banen met de kleuren rood, wit en blauw die de Nederlandse vlag voorstelt. Dit embleem werd alleen gedragen op de jas van het binnengevechtspak en was vastgenaaid. Jassen van het binnengevechtspak M67 die na 1978 werden afgedragen werden ook voorzien van dit embleem.

Op het gevechtskleding M93 werd de 'nationaliteitsembleem gevechtskleding' als NL-driekleur aangeduid en op de linker mouw gedragen. Op de jas basis is het embleem vastgenaaid en op de buiten jassen met velcro bevestigd.



Onderscheidingsteken voor grote eenheden, tot 1963.



Onderscheidingsteken voor grote eenheden, vanaf 1963.


Tot november 1981 mochten de emblemen worden omgevouwen zodat alleen de afbeelding zichtbaar was op het DT. Vanaf november 1981 was dit niet meer toegestaan en werden de emblemen in een rechthoek van 50mm x 70mm op het DT genaaid.