page contents
Landmacht / Army

Dutchhelmets

De Nederlandse stalen helm 1916-1992


Verschillende hoofddeksels van de Nederlandse Landmacht

Various headgear of the Netherlands Army


Hoofddeksels ingevoerd vanaf 1940 bij de Koninklijke Landmacht.

 

Bronnen:

 - Internet. Eigen (beeld) onderzoek op diverse websites.

 - Vergelijkend onderzoek met stukken uit de Dutchhelmets collectie en van overige verzamelaars.

 - Boek: Van Grijsgroen naar Camouflage van Dhr. M. Talens (ISBN 978-90-70793-30-2).

 - Boek: Uniformen en Emblemen van M. Talens (ISBN 90-6949-008-0).



De uniform petten.

 

Met de invoering van Engelse model uniformen in 1940, werd ook een Service Dress ingevoerd, ook wel Dagelijks Tenue (DT) genoemd. Bij de DT werd een pet gedragen, ook wel Pet Uniform, Platte Pet, Uniformpet of gewoon Pet genoemd.

De petten waren van Engelse productie in twee varianten, namelijk een variant voor officieren, adjudant-onderofficieren, vaandrigs en kornetten (Cap Service Dress, Officers), en een variant voor alle rangen beneden de rang van adjudant-onderofficieren (Cap, Stiff, Service Dress, Other Ranks).

De petembleem was het Petembleem, model 1940.

 

De Cap Service Dress, Officers (Cap, S.D., Officers) was gemaakt van khaki barathea of khaki whipcord en voorzien van een uitschuifbare en niet afneembare stormband. De pet had een opstaande band van 4cm breed en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 130°. De klep was aan beide zijdes bekleed met hetzelfde stof als van de pet.

De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm bronzen knopen, nr. 1 (aan elke zijde een), op de pet vastgemaakt. Nederlands gedragen petten met Britse knopen komen ook voor.

Na de bevrijding van Nederland werd de productie van de Cap, S.D., Officers, naar Brits model, in Nederland voortgezet. Deze wordt ook wel aangeduid als Pet, Uniform, model 1940, Barathea.

Naast de Pet, Uniform, model 1940, Barathea, werd vanaf 1954 ook iets afwijkende pet geproduceerd. Deze petten worden ook wel Pet, Uniform, Luxemburgs model genoemd, waren gemaakt van khaki barathea en voorzien van een uitschuifbare en niet afneembare stormband. De pet had een opstaande band van 5cm breed en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120°. De klep was aan beide zijdes bekleed met hetzelfde stof als van de pet, echter, kleppen met een beklede bovenzijde en (licht) groen fiber onderzijde komen ook veelvuldig voor.

De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm geelkoperen knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt. Vanaf 1958 werd de Luxemburgse model als standaard model aangenomen. Alle voorgaande modellen mochten worden afgedragen.

 

Op 19 juni 1940 werd per MB vastgesteld dat opperofficieren een ponceaurode band om de band van de pet dragen waarop het Petembleem, model 1940 werd geplaatst.

Op 25 april 1941 werd per MB vastgesteld dat opperofficieren en kolonels een gekleurde band om de band van de pet dragen waarop het Petembleem, model 1940 werd geplaatst. De kleur van deze band was gelijk aan de kleur van de kraagpatten, afhankelijk van wapen of dienstvak, die werd gedragen op het DT. Vanaf 3 juli 1946 vervielen per MB alle gekleurde banden en droegen alle opperofficieren en kolonels een ponceaurode band, ongeacht wapen of dienstvak.

Op 27 februari 1960 kwam per MB wederom een verandering. Voortaan mochten alleen opperofficieren een ponceaurode band dragen. Uitzondering waren de opperofficieren ingedeeld bij de Generale staf, Technische staf en Intendance staf. Zij droegen voortaan een karmozijnrode band in plaats van een ponceaurode band.

 

Vanaf 1 februari 1957 werd voor officieren en adjudant-onderofficieren een zandkleurige dunne stof beschikbaar gesteld zodat zomeruniformen gemaakt kon worden. Deze zomerstof moest men zelf aanschaffen a fl. 20,- per meter, en ook de kosten om het uniform (met pet) te laten maken bij een kleermaker waren voor eigen rekening, zogenaamde kleermakersaanmaak. De bijbehorende petten werden ook van zomerstof aangemaakt en werden zowel in van het Britse of Luxemburgse model gemaakt, afhankelijk van de voorkeur van de drager. Deze petten worden ook wel Pet, Uniform, Zomerstof genoemd.

 

De Cap, Stiff, Service Dress, Other Ranks (Cap, Stiff, S.D., O.R.) was gemaakt van khaki-mêlé grove stof, zelfde stof als de Battle Dress, en voorzien van een uitschuifbare en niet afneembare stormband. De pet had een opstaande band van 4cm breed en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 130°. De klep was aan beide zijdes bekleed met hetzelfde stof als van de pet.

De stormband was gemaakt van donkerbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 8mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een vierkante metalen gesp aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm bronzen knopen, nr. 1 (aan elke zijde een), op de pet vastgemaakt. Nederlands gedragen petten met Britse knopen komen ook voor.

Na de bevrijding van Nederland werd de productie van de Cap, Stiff, S.D., O.R., naar Brits model, in Nederland voortgezet. Deze wordt ook wel aangeduid als Pet, Uniform, model 1940, Grove Stof.

De in Nederland geproduceerde pet voor alle rangen beneden de rang van adjudant-onderofficieren wijkt iets af van de Britse model. De pet was gemaakt van khaki-mêlé grove stof en voorzien van een uitschuifbare en niet afneembare stormband. De pet had een opstaande band van 5cm breed en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120°. De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm geelkoperen knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt.

 

Vanaf medio jaren ’50 werden de bronzen knopen vervangen voor geelkoperen knopen en vanaf 1959 werd een afneembare stormband ingevoerd. Deze stormband was identiek aan het oude model, het enige wat wijzigde waren de knopen. De nieuwe knopen waren voorzien van een stift en moertje in plaats van buigpennen.

Vanaf 1959 werd een afneembare stormband ingevoerd. Deze stormband was identiek aan het oude model, het enige wat wijzigde waren de knopen. De nieuwe knopen waren voorzien van een stift en moertje.

 

Vanaf 27 februari 1960 kwam de Petembleem, model 1940 te vervallen en werd deze vervangen door een nieuw metalen petembleem, de Petembleem, Model 1960.

 

In 1962 werd een heel nieuw model Dagelijks Tenue vastgesteld die vanaf 1 januari 1963 werd ingevoerd, de DT63. Bij het nieuwe DT63 hoorde ook een nieuwe pet, ook wel Pet, uniform, Uni-bruinolijf, model 1963 genoemd. In tegenstelling tot de voorgaande modellen, werd eenzelfde model pet door alle rangen gedragen. Als embleem werden de Petembleem, model 1960 gedragen, afhankelijk van de rang.

 

De pet DT63 was gemaakt van uni-bruinolijf barathea stof (100% wol) en voorzien van een uitschuifbare, afneembare stormband. De pet had een opstaande band van 5cm breed en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120°. De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm goudkleurige knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt. De knopen waren voorzien van een stift en ronde moertje.

Vanaf december 1981 werd een wijziging aangebracht in de te gebruiken barathea stof. Tot eind 1981 werd de barathea stof aangemaakt van 100% wol. Vanaf eind 1981 werd de barathea stof aangemaakt van 75% wol en 25% polyester.

 

Opperofficieren droegen de pet DT63 met een ponceaurode opstaande band. Opperofficieren van de Technische Staf droegen een karmozijnrode band in plaats van de ponceaurode band. Vanaf 14 oktober 1996 word bepaald dat de pet DT63 alleen nog door opperofficieren wordt gedragen. Alle onderliggende rangen dragen dan de baret of kwartiermuts bij de DT63. Vanaf 4 mei 1999 worden voor opperofficieren op de klep een dubbele rij goudkleurige borduursels aangebracht, 13mm breed, van eikenloof en eikels. De kleprand wordt voorzien van een 5mm breed bruin borduursel.

Opperofficieren die registratief zijn ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers, Korps Commando Troepen, Jagers van het Garderegiment Grenadiers en Jagers, de Cavalerie en de commandant van de Luchtmobiele Brigade dragen de baret in plaats van de pet DT63.

 

In 2003 wordt uiteindelijk, na een moeizame weg, het nieuwe Dagelijkse Tenue ingevoerd. Deze wordt ook wel DT2000 genoemd. De DT2000 vervangt niet alleen de DT63, maar ook het tot dan toe gedragen model Gelegenheidstenue (GLT). De pet, ook wel Pet, Uniform, DT2000 genoemd, is donker groen van kleur met een zwarte opstaande band.

Opperofficieren dragen de pet met een ponceaurode opstaande band in plaats van de zwarte opstaande band, en een dubbele rij goudkleurige borduursels van eikenloof en eikels op de klep.

Hoofdofficieren dragen de pet met een enkele rij goudkleurige borduursels van eikenloof en eikels op de klep.

Als embleem werden de Petembleem, model 1960 gedragen, afhankelijk van de rang.



De uniform petten voor de tropen.

 

De Pet, Uniform, Khaki, Tropen was gemaakt van khakikleurige katoenen stof en voorzien van een uitschuifbare en een niet afneembare stormband. De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm goudkleurige knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt. Latere modellen werden voorzien van een afneembare stormband.

De pet had een opstaande band van 5cm breed met twee biezen, een erboven en een eronder. De biezen waren in hetzelfde kleur als de pet.

De klep was van kunststof en aan de bovenzijde bekleed met khakikleurige stof. De onderzijde was lichtgroen en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120°.

Middenvoor werd een Petembleem, model 1940 geplaatst.


De Pet, Uniform, Grijsbruin, Tropen was een 2-delige pet gemaakt van grijsbruin kleurige katoenen stof. Een deel bestond uit de bodem met opstaande band, de andere deel bestond uit een verstevigde hoofdband en de klep. De bodem met opstaande band werd over de verstevigde hoofdband geschoven om de pet samen te stellen. De hoofdband en opstaande band waren 45mm hoog en aan de voorzijde voorzien van een gat voor het plaatsen van een Petembleem, model 1960.

De pet was voorzien van een uitschuifbare en afneembare stormband. De stormband was gemaakt van lichtbruin gelooid leder en bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm goudkleurige knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt.

De klep was van kunststof en de bovenzijde was glimmend donkerbruin van kleur. De onderzijde was groen en de hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120°.

Officieren en adjudanten droegen de pet met een donkerbruine état-majorband om de hoofdband geplaatst. Onderofficieren, korporaals en manschappen droegen de pet met een donkerbruine ribband om de hoofdband geplaatst

Hoofdofficieren ingedeeld bij de TRIS (Troepenmacht in Suriname) droegen de pet met twee goudenbiezen, één boven de donkerbruine état-majorband en één eronder. Subalterne officieren en adjudanten droegen de pet met één goudenbies, onder de donkerbruine état-majorband.

 

In 1989 wordt een nieuw Dagelijks Tenue Tropen (DTT) ingevoerd met een bijbehorende pet, de Pet, Uniform, DTT, model 1989.

De Pet, Uniform, DTT, model 1989 was gemaakt van zandkleurige stof bestaande uit 55% wol en 45% polyester. De pet had een opstaande band van 5cm breed waar middenvoor een Petembleem, model 1960 werd geplaatst. De hoek van de klep en opstaande band was ongeveer 120° en de klep was aan de bovenzijde bekleed met hetzelfde stof als van de pet.

De pet was voorzien van een uitschuifbare, afneembare stormband, gemaakt van lichtbruin gelooid leder die bestond uit twee op elkaar liggende banden van 16mm breed. Op het uiteinde van ieder band was een lederen schuifpassant aangebracht, waar de andere band doorheen werd gestoken. De stormband werd met twee Ø14mm goudkleurige knopen (aan elke zijde een) op de pet vastgemaakt. De knopen waren voorzien van een stift en ronde moertje.

Opperofficieren droegen de Pet, Uniform, DTT, model 1989 met een ponceaurode opstaande band. Opperofficieren van de Technische Staf en Intendance droegen de pet met een karmozijnrode band in plaats van de ponceaurode band.



De overige uniform petten.

 

De petten die bij Gekleed Tenue (GT) werden gedragen waren zwart van kleur en hadden een stoffen petband. Aan de boven- en onderzijde was een bies aangebracht in de kleur van het Regiment, Korps of Dienstvak.


De petten die bij het diepblauwe Gelegenheids Tenue (GLT) werden gedragen waren diepblauw van kleur en hadden een zwart geweven petband, de état-majorband voor officieren en adjudant onderofficieren en de ribband voor de overige onderofficieren. Aan de boven- en onderzijde was een bies aangebracht in de kleur van het Regiment, Korps of Dienstvak.

Met de invoering van de DT2000 is de diepblauwe GLT komen te vervallen.

 

Tot medio jaren ’80 werd een zwart Avond Tenue (AT) gedragen. Bij de zwarte AT werd een zwarte pet gedragen met zwart geweven petband, de état-majorband voor officieren en adjudant onderofficieren en de ribband voor de overige onderofficieren. Aan de boven- en onderzijde was een bies aangebracht in de kleur van het Regiment, Korps of Dienstvak.

De zwarte AT werd vervangen voor een AT in het diepblauw. De petten bij het diep blauwe AT werden gedragen waren gelijk aan de diepblauwe petten die bij de GLT werden gedragen. Deze waren diepblauw van kleur en hadden een geweven petband, état-majorband voor officieren en adjudant onderofficieren en de ribband voor de overige onderofficieren. Aan de boven- en onderzijde was een bies aangebracht in de kleur van het Regiment, Korps of Dienstvak.



Regimenten, Korpsen en Dienstvakken hadden ieder een eigen kleur bies die op de bovengenoemde petten werden aangebracht. De kleuren waren als volgt:

 

Nassau blauw voor het Regiment Huzaren van Boreel en het Regiment Verbindingstroepen.

 

Geel voor het Garderegiment Grenadiers en Jagers (jagers) en het Korps Rijdende Artillerie.

 

Okergeel voor het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen.

 

Oranje voor het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene, het Regiment van Heutsz en het Regiment Huzaren Prins van Oranje.

 

Karmozijnrood voor het Regiment Limburgse Jagers en het Dienstvak van de Technische Staf.

 

Ponceaurood voor het Garderegiment Grenadiers en Jagers (grenadiers), het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard, het Regiment Infanterie Johan Willem Friso, het Regiment Huzaren, het Prins Alexander, het Korps Veldartillerie, het Korps Luchtdoelartillerie, het Regiment Genietroepen, de Militair-Psychologische en Sociologische Dienst, het Dienstvak van de Officieren van Fortificatiën en het Korps Nationale Reserve.

 

Roze voor het Korps Militaire Administratie.

 

Wit voor het Regiment Huzaren Van Sytzama en het Dienstvak van de Militair-Juridische Dienst.

 

Zwart voor het Regiment Technische Troepen.

 

Groen voor het Korps Commandotroepen en het Regiment Geneeskundige Troepen.



De dames hoeden.

 

Op 30 oktober 1951 werd per Koninklijke Besluit (KB) de Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA) opgericht en op 1 juli 1952 werd uitvoering gegeven aan het besluit door het Vrouwen Hulpkorps (VHK) en Nederlandse Verpleegsters Korps der Landmacht (NVKL) op te heffen en samen te voegen in de nieuwe vrouwen afdeling, de MILVA.

Vanaf 1 januari 1979 konden vrouwen op dezelfde vrijwilligers voorwaarden als voor de mannen, in dienst treden. MILVA’s konden na het uitdienen van hun contract, de overstap maken naar een dienstvak van de Koninklijke Landmacht. Later werd dit uitgebreid doordat vrouwen ook de overstap konden maken naar een wapen. Vrouwen ingedeeld bij een dienstvak of wapen droegen dezelfde gevechtskleding en uitrusting als de mannen. Ook werden de wapenonderscheidingstekenen gedragen van het desbetreffende dienstvak of wapen. Op 1 januari werd de MILVA opgeheven.

 

Naast het dragen van de baret (zie deel Baretten) bij het veldtenue, droegen MILVA’s ook hoeden bij het Dagelijkse Tenue (DT).

Op 30 maart 1954 werd, per Ministeriële Besluit (MB), een nieuw Dagelijks Tenue (DT) ingevoerd, ook wel DT54 genoemd, voor de MILVA die de oude DT48 moest vervangen.

 

Met het invoeren van de nieuwe DT werd tevens een hoed ingevoerd, ook wel Hoed, Uniform, Bruin, model 1953 of Hoed, Dames, model 1953.

De Hoed, Dames, model 1953 werd alleen door officieren en onderofficieren gedragen. Officieren en adjudanten hadden een donkerbruine état-majorband om de hoed en onderofficieren hadden een donkerbruine ribband om de hoed. Middenvoor werd een Hoedembleem, model 1953 gedragen, afhankelijk van de rang. officieren droegen een geborduurd embleem die volledig omkranst was en onderofficieren droegen een uit metaal gedrukt embleem zonder krans.

De hoed was gemaakt van bruine vilt, was bol van vorm en had een hoedrand rondom. De hoedrand was aan de achterzijde en zijkanten opgeslagen, terwijl de voorkant horizontaal bleef.

 

Medio 1962 werd het uitgaanstenue, model 1962 ingevoerd. Samen met deze uitgaanstenue werd ook een nieuw model hoed ingevoerd, ook wel de Hoed, Uniform, Leverkleurig, model 1962 of Hoed, Dames, model 1962 genoemd.

De hoed was een zogenaamde Pillbox model, een ronde bol met iets opstaande rand waarbij de hoed van voren naar achteren iets oploopt. Om de hoed was een bruine lint aangebracht waarop, links voor, de hoedembleem werd geplaatst. De hoedembleem was van het model Hoedembleem, model 1962, afhankelijk van de rang. De lint was voor alle rangen van hetzelfde model en was middenachter samengebonden tot een platte strik.

Met het in gebruik nemen van de DT71, kwam de Hoed, Dames, model 1962 te vervallen. Bij de DT71 werd de zwarte baret als hoofddeksel gedragen.

 

In 1979 werd een nieuw model Dagelijks Tenue ingevoerd, de DT79, die naast de DT71 werd gedragen. Bij beiden modellen DT werd de zwarte baret als hoofddeksel gedragen. In 1981 kwam hier verandering in.  Er werd een nieuwe dames hoed ingevoerd die door alle rangen gebruikt kon worden. Deze hoed, ook wel Hoed, Uniform, Uni-bruinolijf, model 1981 of Hoed, Dames, model 1981 genoemd, werd gedragen bij de DT71 en DT79.

De hoed was gemaakt van uni-bruinolijf kleurige wol/polyester barathea stof, was ovaal van vorm met een ingestikte bolbodem, een doorgestikte hoedrand van 65mm aan de voorzijde en rondom was een bruine lint aangebracht. De hoedrand was aan de achterzijde en zijkanten opgeslagen, terwijl de voorkant horizontaal bleef. De Petembleem, model 1960, werd gebruikt als hoedembleem.

 

In 1987 werd een nieuw model Dagelijks Tenue ingevoerd, de DT85, die de DT71 en DT79 moest vervangen. Met het invoeren van de DT85 werd een nieuw hoed ingevoerd, de Hoed, Uniform, Uni-bruinolijf, model 1985 of Hoed, Dames, model 1985. De Hoed, Dames, model 1985 was niet meer dan een licht gewijzigde variant van de Hoed, Dames, model 1981.

Met het invoeren van de nieuw model dames hoed in 1987, werd het gebruik van de Hoed, Dames, model 1981 verboden.

De hoed was gemaakt van uni-bruinolijf kleurige wol/polyester barathea stof, was ovaal van vorm met een ingestikte bolbodem, een doorgestikte hoedrand van 50mm aan de voorzijde en rondom was een bruine lint aangebracht. De hoedrand was aan de achterzijde en zijkanten opgeslagen, terwijl de voorkant horizontaal bleef. De Petembleem, model 1960, werd gebruikt als hoedembleem.

 

In 2003 wordt uiteindelijk, na een moeizame weg, het nieuwe Dagelijkse Tenue ingevoerd, de DT2000 die de DT85 vervangt. De nieuw ingevoerd hoed, Hoed, Vrouw, Groen, DT/GLT, KL, ook wel Hoed, Dames, DT2000 genoemd, is gemaakt van  donkergroen stof, is bol van vorm met een ingestikte bolbodem, heeft rondom een doorgestikte hoedrand van 5cm en heeft een zwarte opstaande band.

Opperofficieren dragen de hoed met een ponceaurode opstaande band in plaats van de zwarte opstaande band met op de opstaande band een dubbele rij goudkleurige borduursels van eikenloof en eikels. Hoofdofficieren dragen de hoed met een met een zwarte opstaande band met op de opstaande band een enkele rij goudkleurige borduursels van eikenloof en eikels op de klep. De Petembleem, model 1960, wordt gebruikt als hoedembleem.



De Baretten.

 

Al vanaf 1942 droegen Nederlandse militairen in Engeland baretten, groene baretten met een Petembleem, model 1940 op zwart achtergrond door Nederlandse commando’s (per 24 oktober 1942) en zwarte baretten met Petembleem, model 1940 op oranje achtergrond door verkenners van de Prinses Irene Brigade. Per Ministeriële Beschikking (MB) van 20 januari 1943 werd de kastanjekleurig (ook wel wijnrood genoemd) baret ingevoerd voor militairen die de parachutistenopleiding hadden behaald. Als embleem werd in eerste instantie de Engelse metalen parachutistenembleem gedragen en later vervangen voor de Petembleem, model 1940.

Vanaf mei 1943 droegen vrouwen van het Hulpkorps een donkerblauwe baret met een gekroonde Rode Kruis embleem, boven de linker oog. Vanaf 20 december 1943 werd de hulpkorps onder militair verband gebracht, werd hernoemd naar Vrijwillig Vrouwen Hulp korps (VVHK, later Vrouwen Hulpkorps (VHK)) en droegen een geelkoperen Petembleem, model 1940 op een donkerblauwe baret met een oranjekleurig achtergrond.


In 1943 word een tropen baret ingevoerd, de Baret, Olijfgroen, Tropen, ook wel Jungle Green General Service Cap genoemd. De Baret, Olijfgroen, Tropen wordt samen met een Australische tropen uniform ingevoerd en zijn bestemd voor de KNIL (Koninklijke Nederlands Indische Leger) die dan in Australië zijn teruggevallen. Vanaf 1946 werd de baret ook aan militairen van de Koninklijke Landmacht uitgereikt.

De baret was van Australische fabricaat, echter er werden ook gelijkwaardige exemplaren uit India aangekocht en later werd de baret in Nederland aangemaakt. De baret was gemaakt van dun katoenen stof, had drie of 4 opstaande kanten met een opgenaaid bodem. De hoofdband was eveneens van katoen, in hetzelfde kleur als baret en 2,5cm hoog. Aan de achterzijde was een split aangebracht met links en rechts ervan nestelgaatjes waar een veter doorheen zat. Hiermee kon de baret passend gemaakt worden aan het hoofdomtrek. Op de baret werd een Petembleem, model 1940 of baretembleem geplaatst, afhankelijk van wanneer de baret werd gedragen.


De Koninklijke Landmacht voerde de baret als hoofdeksel voor de gehele organisatie pas officieel in op 9 februari 1944 per MB, waarna baretten snel werden verstrekt aan de overige Nederlandse militairen. Als embleem werd de Petembleem, model 1940 gedragen op een oranje achtergrond.

Cavaleristen, verkenners droegen vanaf 9 februari 1944 een donkerblauwe baret, tot parachutist opgeleide militairen de wijnrode baret en militairen die de commando opleiding hadden behaald, de groene baret. Alle overige militairen droegen de khaki-kleurige baret.

 

De eerste officieel ingevoerde baret was de Cap, General Service (Cap, G.S.) ook wel Baret, Khaki-mêlé, grove stof, model 1944 genoemd of Veldbaret. Er werden zowel Engelse en Canadese geproduceerde baretten ingevoerd. Ook werden baretten vervaardigd bij kleermakers en vanaf medio jaren ‘40 werden baretten ook in Nederland vervaardigd.

De Baret, Khaki-mêlé, grove stof had een opstaande band van 2,5cm breed, drie aan elkaar genaaide opstaande kanten van ongeveer 5cm hoog en een ronde bodem met een diameter van ongeveer 28cm. De kleur was khaki en kon variëren van een lichte kleur naar een donkere kleur. De baret was gevoerd met een lakense stof, beige of zwart. Afhankelijk van de fabrikant of land van herkomst, konden de baretten erg van elkaar verschillen. Zo werden ook baretten gedragen met een lederen zweetband in plaats van een stoffen band.

 

De groene baretten, gedragen door commando’s, en de wijnrode baretten, gedragen door parachutisten, waren anders van model. Deze waren uit een stuk naadloos gebreid en hadden een 12mm zwart lederen zweetband met veter. Aan de rechterzijde waren twee ventilatie ringen geplaatst. De voering was van zwart katoen, in enkele gevallen van khakikleurige katoen.

 

Per MB van 25 februari 1945 werd de Nederlandse Verpleegsters Korps der Landmacht (NVKL) opgericht. De NVKL droegen dezelfde uniformen als de VHK met als uitzondering de baret. Leden van het NVKL droegen de Baret, Khaki-mêlé, grove stof, model 1944 met Petembleem, model 1940 op oranje achtergrond in plaats van de donkerblauwe baret.

 

Per MB van 9 augustus 1946 werden er wijzigingen in de kleuren van de baretten ingevoerd. Al het personeel ingedeeld bij het wapen der Cavalerie gingen een zwarte baret dragen in plaats van een donkerblauwe baret, militairen ingedeeld bij de Koninklijke Marechaussee gingen een donkerblauwe baret dragen en alle leerlingen ingedeeld bij de Scholen Reserve Officieren (SRO) gingen een donkerbruine (nègre bruin) baret dragen.

Per MB van 1 oktober 1946 werd bepaald dat al het overige personeel ingedeeld op de scholen voor reserve officieren ook de donkerbruine baret gingen dragen.

Op 9 november 1946 wordt per MB nieuwe wapenonderscheidingstekenen, waaronder baretemblemen, vastgesteld die de Petembleem, model 1940 vervangt en per MB van 8 februari 1947 werd bepaald dat alle leerlingen en overige personeel ingedeeld in de School Reserve Officieren Cavalerie (SROC) een zwarte baret gingen dragen.

 

Vanaf 1947 werd de Baret, Khaki-mêlé, grove stof geleidelijk vervangen voor een ander model. Deze baretten hadden twee of drie aan elkaar genaaide opstaande banden van ongeveer 4cm hoog, een platte bodem met een diameter van ongeveer 25cm en hadden een bruinlederen of stoffen zweetband met veter. Deze baretten worden ook wel Baret, Khaki-mêlé, grove stof, model 1947 genoemd.

Ook werden vanaf 1947 geleidelijk een baret ingevoerd die naadloos uit een stuk was gebreid. Deze baretten hadden een 12mm zwart- of bruinlederen zweetband met veter. Aan de rechterzijde waren bij sommige baretten twee ventilatie ringen geplaatst. Deze baretten worden ook wel Baret, uniform, model 1947 genoemd en waren nagenoeg van hetzelfde model als de groene en wijnrode baretten van Brits fabricaat.

 

Per MB van 19 januari 1955 werd het dragen van de wijnrode baret verboden en mochten de wijnrode baretten tot 1 juli 1955 worden afgedragen. Vanaf 1956 droegen militairen ingedeeld bij een detachement Verenigde Naties (VN) of VN waarnemer een lichtblauwe baret.

 

Per december 1958 wordt een nieuw model baret ingevoerd, de Baret, wol, khaki (unikleur) ook wel Baret, uniform genoemd. De baret is een naadloos gebreid baret en is geheel van wol. Om de rand wordt een 12mm breed zwartlederen zweetband aangebracht, met veter. Er zijn twee verticale knoopsgaten linksvoor, voor het bevestigen van het baretembleem. De binnenzijde is gevoerd met een extra lapje stof om de bevestiging van het baretembleem af te dekken.

Per 23 april 1964 werden alle tot dan toe gedragen modellen baretten vervangen door de nieuwe baret. De khakikleurige en donkerbruine baretten werden vervangen voor een uni-bruinolijf kleurige baret. Overige baretkleuren waren de groene baret voor militairen die de commando opleiding hadden behaald, de zwarte baret voor cavaleristen, verkenners ingedeeld bij het wapen der cavalerie en leden van de MILVA en de donkerblauw baret voor de Koninklijke Marechaussee.

In 1982 werd de MILVA opgeheven en sindsdien dragen vrouwelijke militairen de hoofddeksel van het wapen of dienstvak waar zij zijn ingedeeld.

 

Vanaf 1982 werd de steenrode baret ingevoerd voor militairen die ingedeeld werden bij de Multinational Forces and Observers (MFO).

 

Met het oprichten van de Luchtmobiele Brigade, werd de wijnrode baret opnieuw ingevoerd. Op 22 mei 1992 werden de eerste 111 wijnrode baretten uitgereikt aan kaderleden die de eerste Luchtmobiele opleiding hadden gehaald.

 

Vanaf 2003 wordt de nieuwe Dagelijkse Tenue (DT2000) ingevoerd die donkergroen van kleur is. Samen met het nieuwe DT worden ook uni-bruinolijf kleurige baretten vervangen voor een baret in dezelfde donkergroene kleur als de DT2000. Deze nieuwe kleur krijgt al snel heel veel weerstand van het Korps Commando Troepen en oud commando’s. De nieuw ingevoerde donkergroene kleurige baretten lijken erg veel op de groene baretten gedragen door commando’s. Uiteindelijk krijgen de (oud) commando’s gelijk en wordt vanaf september 2005 de donkergroene baretten vervangen voor een blauwgroene baret, ook wel petrol genoemd.



De veldpetten.


Door Nederlandse troepen die in Nederlands-Indië werden ingezet, werden vanaf 1946 veldpetten gebruikt van Amerikaanse aanmaak, de Cap, Herringbone Twill, M-1941, ook wel Pet, Veld, Grijsgroen, Tropen genoemd. De militairen noemden de pet vaak Plopperpet of Vechtpet.

De Pet, Veld, Tropen, model 1941 was olijfgroen van kleur en gemaakt van katoen in een visgraat motief (Herringbone Twill), ook wel spitskeper of visgraatdessin genoemd. In beide zijwanden zijn twee ventilatieopeningen aangebracht, doormiddel van ringen. De klep is doorgestikt met vijf verstevigingsstiksles.

De Pet, Veld, Tropen, model 1941 werd ook in Korea gedragen door leden van het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN).


Vanaf maart 1950 werd in Nederland een eigen tropenpet geproduceerd, de Pet, Veld, Olijfgroen, Tropen.

De Pet, Veld, Tropen, model 1950 was nagenoeg identiek aan de Amerikaanse Pet, Veld, Tropen, model 1941 met als grootste verschil de klep. De klep van de Pet, Veld, Tropen, model 1950 was doorgestikt met zes of zeven verstevigingsstiksles en had een verstevigde kleprand. Verdee was de pet olijfgroen van kleur en gemaakt van katoen in een visgraat motief, ook wel spitskeper of visgraatdessin genoemd. In beide zijwanden zijn twee ventilatieopeningen aangebracht, doormiddel van ringen.

Vanaf 1958 werd de Pet, Veld, Olijfgroen, Tropen in een donker groene kleur, ook wel legergroen genoemd, geproduceerd.Deze pet wordt ook wel Pet, Veld, Legergroen, Tropen genoemd.


In 1953 wordt de Pet, Veld, Legergroen, model 1953 ingevoerd. De veldpet is olijfgroen van kleur, is gemaakt van katoen en heeft een ovale vorm met een ingestikte bodem. In beide zijwanden zijn twee ventilatieopeningen aangebracht, doormiddel van ringen. De kleprand is verstevigd met een omboordsel.

Vanaf 1965 komt er een wijziging in de gebruikte stof. Deze is niet meer van katoen, maar een combinatie van katoen en satijn. Ook veranderd de benaming van Pet, Veld, Legergroen, model 1953 naar Pet, Veld, Legergroen.

In 1986 vindt er wederom een kleine wijziging plaats, de ventilatiegaten komen te vervallen. Ook veranderd wederom de benaming. Nu van van Pet, Veld, Legergroen naar Pet, Algemeen gebruik, Legergroen.

 

Met het beproeven van de camouflage tenue model 1982 (project gevechts-PSU ’80) vanaf september 1985, werd ook een veldpet beproefd, de Pet, Veld, model 1982.

Er werden 2 verschillende modellen beproefd, waarvan een model nagenoeg gelijk aan de veldpet Pet, Algemeen gebruik, Legergroen. De andere beproefde model had als enige verschil dat er geen verstevigingsrand aan de onderzijde van de zijwand had. De pet heeft een camouflage patroon, ook wel kleine vlekkenpatroon genoemd. Deze is beter bekend als de Duitse Flecktarn, gebruikt door de Bundeswehr.


In 1990 wordt naast de Pet, Algemeen gebruik, Legergroen ook een nieuwe veldpet, de Pet, Woodland, zomer, model 1989, in camouflage patroon ingevoerd, in aanloop naar het nieuw in te voeren camouflage gevechtstenue model 1993 (M93). De Pet, Woodland, zomer, model 1989 wordt alleen aan beroeps personeel uitgereikt en wordt gedragen in combinatie met de legergroene gevechtstenue model 1978 (M78).

Met de invoering van het nieuwe camouflage gevechtstenue M93 in 1993 wordt de nieuwe gecamoufleerde veldpet uiteindelijk ingevoerd als Pet, Algemeen gebruik, Zomer, model 1993, ook wel Pet, Algemeen gebruik, model 1993 genoemd met erachter de type camouflage patroon (Woodland, Desert of Jungle). De Pet, Algemeen gebruik, model 1993, Woodland is identiek aan de Pet, Woodland, zomer, model 1989, enige verschil is de benaming.

De veldpet heeft een camouflage patroon, afhankelijk van het inzet gebied. Doorgaans is dit de Woodland patroon, echter voor woestijn achtige gebieden is er de Desert camouflage patroon en voor oerwouden de Jungle camouflage patroon. Er is ook een donkergroene variant voor burgermedewerkers.

De Veldpet, Model 1993 is gemaakt van 65% katoen en 35% polyester en heeft een ovale vorm met een ingestikte bodem. De klep is doorgestikt met verstevigingsstiksles.

 

Voor militairen ingedeeld bij een VN detachement werd de Pet, Veld, Blauw, VN-kleur ingevoerd. Dit was een lichtblauwe katoenen pet met een versteviging aan de voorzijde waarop de ronde VN embleem opgenaaid kon worden. Aan beide zijwanden zijn twee ventilatieopeningen aangebracht, doormiddel van ringen. Pet, Veld, Blauw, VN werd vervangen door de Cap, VN-blauw, die tot heden nog in gebruik is. De Cap, VN-blauw is lichtblauw van kleur en van het zogenaamde baseball cap model. Aan de achterzijde is een 2-delige kunststoffen verstelsysteem aangebracht die, afhankelijk van de hoofdmaat, versteld kan worden. Aan de voorzijde is een ingestikte VN embleem aangebracht.

 

Voor militairen ingedeeld bij de multinationale vredesmacht (Multinational Forces and Observers/MFO) werd de Pet, Veld, Steenrood, MFO ingevoerd.

Deze was van hetzelfde model als de Pet, Veld, Blauw, VN-kleur en werd geproduceerd door Bancroft Military Caps.

 

Met het aanschaffen van MultiCam uniformen voor uit te zenden personeel en Special Forces, werd ook een MultiCam veldpet ingevoerd, de Pet, MultiCam, Onesize. De MultiCam uniformen en hoofdeksels werden vanaf 2014 ingevoerd als tussenoplossing omdat de nieuwe NFP (Netherlands Fractal Pattern) uniformen op zich lieten wachten.

Omdat er uniformen en hoofddeksels van verschillende fabrikanten werden aangekocht, is het niet zo dat één enkele model MultiCam pet werd ingevoerd. Er werden verschillende modellen ingevoerd.



Bivakmutsen, winterpetten en mutsen.

 

De bivakmuts, ook wel biwakmuts of balaclava genoemd, werd al in 1914 ingevoerd. Dit waren wollen gebreide mutsen die over het hoofd getrokken kon worden en die onder de hoofddeksel of helm gedragen kon worden. Er waren verschillende modellen gebreide mutsen in omloop, ook de kleur kon onderling verschillen.

 

Medio jaren ’40 werd door de commando’s een khaki-kleurige wollen bivakmuts ingevoerd van Brits fabricaat. Vanaf eind jaren ’40 werd de Britse bivakmuts ingevoerd voor de overige eenheden van de Koninklijke Landmacht. Er waren verschillende modellen Britse bivakmutsen in gebruik, waaronder een model die aan de onderzijde twee doorlopende, mee gebreide stukken had die de bovenzijde borst en rug extra bescherming gaf.

Ook werden er Amerikaanse bivakmutsen ingevoerd die naast de Britse werden gedragen. Er waren verschillende modellen Amerikaanse bivakmutsen in gebruik, zowel in het olijfbruin als olijfgroen.


Vermoedelijk werd al vanaf de jaren ’70 een Nederlands geproduceerde bivakmuts ingevoerd. Deze was gebreid van wol.

 

Met het beproeven van de camouflage tenue model 1982 (project gevechts-PSU ’80) vanaf september 1985, werd ook een bivakmuts beproefd. Deze was gebreid en bruin-gemêleerd van kleur. De onderrand was verstevigd met een olijfgroene stiksel. Om de nek was een elastische vernauwing ingebracht die de bivakmuts goed om de nek omsloot.

 

Door Nederlandse militairen ingedeeld bij de Princes Irene Brigade, die in Canada werden opgeleid, werd de Canadese wintermuts ingevoerd. De Canadese wintermuts was khaki-kleurig en voorzien van zijkleppen die, doormiddel van een katoenen bandje, zowel onder de kin of bovenop de muts vastgemaakt kon worden.

Voorop de klep werd een Petembleem, model 1940 geplaatst.


Aan de troepen ingedeeld bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN) die in Korea werden ingezet, werden drie verschillende winterpetten van Amerikaanse fabricaat verstrekt, die dezelfde benaming kreeg, de Pet, Veld, Bontgevoerd. De winterpetten werden vaak kortweg als Pile Cap aangeduid.

De Cap, Field, Pile, M-1943, Olive Drab, ook wel Pet, Veld, Bontgevoerd, model 1943 genoemd, was olijfbruin van kleur, bol van vorm en geproduceerd van wind en waterdicht katoen. Vroeg geproduceerde winterpetten hadden een bruin kleurige langharige fleece voering aan de binnenzijde van de zijkleppen. Winterpetten geproduceerd vanaf 1947 hadden een groen kleurige kortharige fleece voering aan de binnenzijde van de zijkleppen. De zijkleppen konden zowel onder de kin en bovenop de pet vastgemaakt worden doormiddel van een veter. De rechter zijklep had een dwars liggende veter waar de linker zijklep onder geschoven kon worden.

Opvallend aan de Pet, Veld, Bontgevoerd, model 1943 was dat de klep ook gevoerd was in dezelfde stof als de zijkleppen en dat deze, indien gewenst, naar boven gevouwen kon worden.


De Cap, Field, Pile, Olive Drab, MQ-1 ook wel Pet, Veld, Bontgevoerd, MQ-1 genoemd, was olijfbruin van kleur, bol van vorm en geproduceerd van wind en waterdicht katoen. De Pet, Veld, Bontgevoerd, MQ-1 werd, waarschijnlijk, vanaf 1950 geproduceerd.

De zijkleppen konden zowel onder de kin en bovenop de pet vastgemaakt worden doormiddel van een veter. De rechter zijklep had een dwars liggende veter of strookje stof waar de linker zijklep onder geschoven kon worden. De klep is bij sommige exemplaren doorgestikt met verstevigingsstiksles, afhankelijk van de fabrikant. Grootse verschil met de Pet, Veld, Bontgevoerd, model 1943 is dat de klep van de Pet, Veld, Bontgevoerd, MQ-1 niet gevoerd is. De klep kon, indien gewenst, naar boven gevouwen worden.


De Cap, Field, Pile, M-1951, Olive Green, ook wel Pet, Veld, Bontgevoerd, model 1951 genoemd, was olijfgroen van kleur, bol van vorm en geproduceerd van wind en waterdicht katoen. Er zijn modellen waarvan de zijkleppen gevoerd zijn met een bruin kleurige langharige fleece of met een groen kleurige kortharige fleece voering. Er zijn ook modellen met een wit kleurige kortharige fleece voering. De zijkleppen konden zowel onder de kin en bovenop de pet vastgemaakt worden doormiddel van een veter. De rechter zijklep had een dwars liggende veter of strookje stof waar de linker zijklep onder geschoven kon worden. Sommige winterpetten hadden naast de veter ook een knoop. De klep is doorgestikt met verstevigingsstiksles, is niet gevoerd en kon, indien gewenst, naar boven gevouwen worden.


Met het beproeven van de camouflage tenue model 1982 (project gevechts-PSU ’80) vanaf september 1985, werd ook een winterpet beproefd, de Pet, Winter, model 1982. De pet heeft een camouflage patroon, ook wel kleine vlekkenpatroon genoemd. Deze is beter bekend als de Duitse Flecktarn, gebruikt door de Bundeswehr.

De Pet, Winter, model 1982 was nagenoeg gelijk aan de veldpet Pet, Algemeen gebruik, Legergroen. Grootste verschil was dat deze gevoerd was en 2 zijkleppen had die zowel onder de kin als bovenop de pet vastgemaakt kon worden doormiddel van velcro.

 

Op 1 oktober 1987 werd een winterpet ingevoerd, de Pet, Veld, Bontgevoerd, model 1987, ook wel Pet, Winter, model 1987 genoemd.

De Pet, Winter, model 1987 was olijfgroen van kleur, was bol van vorm en werd geproduceerd van stof die bestond uit een combinatie van katoen en satijn. De zijkleppen waren gevoerd en kon zowel onder de kin en bovenop de pet vastgemaakt worden doormiddel van velcro. De klep kon, indien gewenst, naar boven gevouwen worden.

De Pet, Winter, model 1987 was zo ontworpen dat deze onder de buitenhelm model 1953 (m53) gedragen kon worden.

 

Met de invoering van een nieuwe camouflage uniform in 1993 wordt ook nieuwe winterpetten ingevoerd, de Pet, Algemeen gebruik, Winter, model 1993. Ook wel Pet, Winter, model 1993 genoemd met erachter de type camouflage patroon. Doorgaans is dit de Woodland patroon, echter voor woestijn achtige gebieden is er een variant in de Desert camouflage patroon.

De Pet, Winter, model 1993 is identiek aan de Pet, Winter, model 1987 met uitzondering van de kleur. De Pet, Winter, model 1993 kon onder de buitenhelm model 1953 (m53) gedragen worden.

Doordat de Pet, Winter, model 1993 niet onder de composiet helm model 1995 (m95) gedragen kon worden, werd een lichtgroen wollen muts ingevoerd, de Muts, Wol, Groen. Er werden 2 varianten ingevoerd. De korte model en de later ingevoerde lange model.


Met het invoeren van de nieuwe NFP (Netherlands Fractal Pattern) camouflage uniform, wordt ook een nieuwe winterpet ingevoerd, de Pet, Winter, NFP, Mono. De Pet, Winter, NFP, Mono is khakigroen van kleur, ook wel Tan genoemd, bol van vorm en de buitenzijde is van wind en waterdicht ademende kunststof. Binnenzijde bol en zijkleppen zijn gevoerd met een khakigroen kleurige kortharige fleece. De uiteinden van de zijkleppen zijn voorzien van een lusje en aan de achterzijde van de bol is een verstelsysteem aangebracht die, afhankelijk van de hoofdmaat, versteld kan worden tot de juiste maat. De klep is gemaakt van hetzelfde materiaal als de buitenzijde bol, is doorgestikt met twee verstevigingsstiksles en kan, indien gewenst, naar boven gevouwen kon worden.

Met Mono in de benaming wordt dan ook bedoeld dat de winterpet één kleur heeft, khakigroen, in plaats van de NFP camouflage patroon.


De Mutsdas, ook wel Commando muts genoemd, was een khakikleurige wollen gebreide das van Brits fabricaat die ook in een muts ingevouwen kon worden. Vanaf begin jaren ’50 wordt de mutsdas in een olijfgroene kleur, in Nederland geproduceerd.

De mutsdas deed zijn intreden in 1942, bij Nederlandse militairen die in de commando opleiding zaten. Gedurende de gehele opleiding werd de mutsdas als muts op het hoofd gedragen. Een traditie die tot de dag van vandaag in ere wordt gehouden door het Korps Commando Troepen. Ieder militair die in de Elementaire Commando Opleiding (ECO) zit, draagt gedurende de gehele opleiding de mutsdas als muts ingevouwen op het hoofd.