page contents
Kondschapsdienst, GS III en GS IV

Alle informatie m.b.t. Nederlandse Militaire Inlichtingen organisaties en eenheden zijn afkomstig van openbare bronnen.


Om de collectie Inlichtingen aan te vullen, is Dutchhelmets.nl op zoek naar aanvullend materiaal zoals emblemen, borstzakhangers, coins, uitrusting, kleding (gevechts- en Dagelijks Tenue), foto's, documentatie, tijdschriften, boekwerken, voorschriften, stikkers, materieel en overige memorabilia. Kortom, alles wat met Inlichtingen te maken heeft.

Gezien de gevoeligheid, wordt hier voorzichtig mee omgegaan, zoals wet en regelgeving voorschrijft.


De Kondschapsdienst


Voorafgaand aan de Tiendaagse Veldtocht (02-12 augustus 1831) was er een zogenaamde ‘Kondschapsdienst’ die de Commandant van het Veldleger en zijn divisiecommandanten van informatie voorzag. Er was zowel een ambtelijke alsook een civiele deel en personen die informatie verzamelde binnen de Kondschapsdienst werden Kondschappers genoemd.

De ambtelijke deel was een netwerk van militairen van de Koninklijke Marechaussee en douane ambtenaren, onderdeel van de Koninklijke Marechaussee. Naast de normale werkzaamheden, werd ook informatie verzameld over mogelijk buitenlandse spionage activiteiten onder Nederlandse troepen. Douanebeambten verzamelde informatie over verdachte (militaire) activiteiten langs de Nederlandse grens. Ook was er een maritieme kondschapsdienst die waarschijnlijk bestond uit een enkele marineofficier.

De particuliere deel was een netwerk van burger informanten. Dit waren mensen die in de grensstreek woonden, mensen die reisden of mensen die met reizigers in aanraking kwamen.

De Kondschapsdienst was geen georganiseerde organisatie, maar meer een netwerk van militairen en burgers die hun informatie melden.

Op 07 juli 1910 werd de Kondschapsdienst overgedragen van de Commandant van het Veldleger naar de Inspecteur der Koninklijke Marechaussee.


Naast de Kondschapsdienst werd ook informatie te velde ingewonnen over de vijand die bijdroegen aan de strijd. Lichte cavalerie-eenheden voerden verkenningen uit om vijandelijke troepenverplaatsingen in de gaten te houden en tijdens het gevecht waren jager-eenheden verantwoordelijk om informatie te verzamelen over de samenstelling en activiteiten van vijandelijke eenheden.


In de aanloop van het Frans-Duitse oorlog (1870-1871) startte het Algemeen Stafbureau binnen de Generale Staf (GS) met het gericht verzamelen van informatie die betrekking hadden op andere Europese legers. De informatie was voornamelijk afkomstig van Nederlandse Militaire attaches die in het buitenland waren gestationeerd. Ook werden vele gegevens uit buitenlandse militaire boekwerken en tijdschriften verzameld.


In de periode voor de Eerste Wereldoorlog nam de behoefte aan inlichtingen en Contra-Inlichtingen (CI) verder toe. In 1911 werden de eerste stappen gezet om vanuit een centrale organisatie de Kondschapsdiensten en militaire inlichtingen te coördineren.

In juni 1912 werd een ‘Studiebureau Vreemde Legers’ opgericht binnen de GS die enigszins al begon te lijken op een inlichtingendienst. Binnen dit bureau werden relevante knipsels uit kranten en tijdschriften samengebracht in een overzicht en vervolgens verspreid binnen de GS.


Op 25 juni 1914 werd het Studiebureau Vreemde Legers omgedoopt tot Afdeling III (drie) van de Generale Staf, van het Ministerie van Oorlog. Deze afdeling werd GS III genoemd en was het eerste formele inlichtingendienst binnen Nederland.


Generale Staf sectie III (GS III)

 

Afdeling III van de Generale Staf (GS III) werd op 25 juni 1914 opgericht uit het Studiebureau Vreemde Legers met als doel het verzamelen van militaire gegevens over diverse Europese landen. GS III was dan ook de eerste moderne Nederlandse militaire inlichtingendienst en alle vormen van inlichtingendiensten die Nederland nadien gekend heeft, vinden hun oorsprong in deze afdeling.

 

GS III begon in 1914 met maar een medewerker, de toenmalig luitenant H.A.C. Fabius, en werd ondergebracht aan de Lange Voorhout 7 in Den Haag. Later verhuisde GS III naar de Lange Voorhout 52 waar GS III een eigen pand kreeg.

 

GS III werd in eerste instantie onderverdeeld in twee onderafdelingen, namelijk de onderafdeling Inlichtingen en de onderafdeling Veiligheid. Als eerste prioriteit was het verder inhoud geven aan de onderafdeling Inlichtingen waarbij de nadruk lag op de verschillende bronnen waar informatie gehaald kon worden.

Door de nauwe samenwerking met de inlichtingendiensten van de politie, kon invulling gegeven worden aan de onderafdeling Veiligheid. Door deze samenwerking kon spionage activiteiten van buitenlandse mogendheden effectief bestreden worden.

 

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werd GS III uitgebreid tot tien officieren en werkte GS III vanuit Rotterdam intensief samen met de Britse Secret Intelligence Service (SIS). In 1917 werden door de regering Militaire Attachés benoemd die actief informatie verzamelden, wat een belangrijke bron van informatie werd.

Grootse zorg in 1917, was dat niet alle informatie centraal door GS III werd verwerkt. Er ging nog te veel informatie verloren. In oktober 1917 werd aan alle militaire autoriteiten medegedeeld dat alle informatie over buitenlandse legers aan GS III verzonden moest worden.

 

In november 1918 had GS III 25 medewerkers waarvan 12 inlichtingenofficieren. GS III richtte zich op dat moment meer op binnenlandse veiligheid en na de Eerste Wereldoorlog besloot de Nederlandse regering dat het in stand houden van een binnenlands veiligheidsapparaat gewenst was. Deze taak werd ondergebracht bij bureau GS IIIB, onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Dit bureau opereerde onder de naam Centrale Inlichtingendienst.

Het bureau GS IIIA bleef verantwoordelijk voor het vergaren van inlichtingen over het buitenland. De medewerkers van dit bureau waren vaak onderofficieren van Cavalerie of Koninklijke Marechaussee.

 

De Generale Staf III bestond vanaf 01 mei 1919 uit de volgende onderdelen:

- GS IIIA (Inlichtingen buitenland);

- GS IIIB (Inlichtingen binnenland);

- GS IIIC (Censuur en Code, voorheen GS IV).

 

Ondanks dat het oorspronkelijk een kleine eenheid was, wist GS III enkele grote inlichtingensuccessen te behalen. Een voorbeeld van een van de successen van GS III is het beroemde ‘api-api’ telegram dat op 25 juli 1914 verstuurd werd door een KNIL officier. Dit telegram was bedoeld als waarschuwing voor de aankomende Duitse dreiging en stelde Nederland in staat om als een van de eerste Europese machten haar Krijgsmacht te mobiliseren.


Generale Staf sectie IV (GS IV)


Tekst volgt.