page contents
Inlichtingen eenheden van het LAMID en 1e Leger Korps

Alle informatie m.b.t. Nederlandse Militaire Inlichtingen organisaties en eenheden zijn afkomstig van openbare bronnen.


Om de collectie Inlichtingen aan te vullen, is Dutchhelmets.nl op zoek naar aanvullend materiaal zoals emblemen, borstzakhangers, coins, uitrusting, kleding (gevechts- en Dagelijks Tenue), foto's, documentatie, tijdschriften, boekwerken, voorschriften, stikkers, materieel en overige memorabilia. Kortom, alles wat met Inlichtingen te maken heeft.

Gezien de gevoeligheid, wordt hier voorzichtig mee omgegaan, zoals wet en regelgeving voorschrijft.


898 Verbindingsbataljon (1953-1998)


898 Verbindingsbataljon (VbdBat) was onderdeel van de Verbindingsdienst van de Koninklijke Landmacht en was de SIGINT (SIGnal INTelligence) eenheid van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS). 898 VbdBat viel operationeel onder de Landmacht Inlichtingendienst (LAMID). Na de oprichting van 102 Electronische Oorlogsvoering (EOV) compagnie in 1988, werd deze administratief ingedeeld bij 898 VbdBat.

Op 01 januari 1998 werd 898 VbdBat samengevoegd met de 1e Luchtmacht Verbindingsgroep en de Technische Informatie Verwerkings Centrum (TIVC) van de Marine Inlichtingendienst (MARID). Deze nieuw gevormde eenheid werd Operationeel Verbindings Inlichtingen Centrum (OVIC) genoemd. Later werd de OVIC gereorganiseerd tot de huidige Nationale Signals Intelligence Organisatie (NSO), onderdeel van de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU). Door deze reorganisatie werd 898 VbdBat op 01 januari 1998 formeel opgeheven.


Als oprichtingsjaar van 898 Verbindingsbataljon wordt 1953 gehanteerd. In 1951 werd 105 Verbindingsverkenningsbataljon (VbdVerkBat) opgericht die uiteindelijk drie compagnieën kreeg; 1-105 Verbindingsverkenningscompagnie (VbdVerkCie) die een tactische taak had, 2-105 VbdVerkCie die een strategische taak had en 106 (mobilisabel) VbdVerkCie.

 

Op 17 februari 1957 werd door Hoofd Militaire Inlichtingen Dienst het verschil tussen strategische en tactische bekend gesteld. Strategische inlichtingen betrof voornamelijk radio communicatie en tactische inlichtingen betrof alle informatie over militaire eenheden van de tegenstander. Taak van 2-105 VbdVerkCie betrof het onderscheppen van radioverkeer op het divisie niveau en hogere eenheden.

101 Militaire Inlichtingendienst Compagnie (101 MIDcie) was verantwoordelijk voor het verwerken van alle verzamelde tactische informatie.

 

Op 01 mrt 1957 werd 105 VbdVerkBat opgeheven en de taken werden overgenomen door 905 VbdVerkCie (strategisch) en op 01 februari 1959 werd de eenheidsbenaming 905 VbdVerkCie gewijzigd in 894 VbdVerkCie. Op 01 januari 1962 vond er wederom een naamswijziging plaats en werd 894 VbdVerkCie veranderd naar 890 Radiocompagnie (RdCie).

 

Op 01 september 1965 werd 890 RdCie ondergebracht in het nieuw opgerichte 898 Radiobataljon (RdBat), waaronder ook 105 RdCie (mobiel) kwam te vallen. Op 15 september 1970 werd de naam gewijzigd in 898 Verbindingsbataljon (898 VbdBat) en werd het bataljon onder operationeel bevel geplaatst van de Plaatsvervangend Chef Generale Staf (Plv CGS) en onder administratief en tactisch bevel van de Territoriaal Bevelhebber Oost (TBO).

 

Taken van 898 VbdBat omvatte detectie, onderschepping, positiebepaling, registratie, decodering/ontcijfering, vertaling en analyse van radioberichtenverkeer van potentiële tegenstanders. Voornaamste doelen waren de militaire hoofdkwartieren van de Sovjet- en Oost-Duitse (DDR) legers in de noordelijke helft van de DDR, zoals het Sovjet 2e Garde Tank Leger en het 5e leger van de DDR.

 

Vanaf 1963 bemande 898 VbdBat met 5 man de interdepartementale radiopeilpost "Mike" in Mertingen, Beieren (BRD). Vanaf 1970 richtte 898 VbdBat het KL-peilsysteem in, met peilposten "Alpha" in Eibergen (NLD), "Delta" in Dillingen an der Donau (BRD) en "Sierra" in Schlichting bij de stad Heide (BRD). "Delta" lag dicht bij "Mike" en deze zijn later ook samengevoegd.

In de jaren ‘70 van de vorige eeuw waren "Delta", en waarschijnlijk ook "Sierra", semipermanente posten uitgerust met DAF YA-126 radiotrucks met KL/MRD-3554 verbindingsapparatuur. Na de val van de muur in 1990 werden de peilposten opgeheven.

101 Militaire Inlichtingen Dienst Compagnie (1954-1995)

 

101 MIDcie werd opgericht op 1 maart 1954 en was sinds haar oprichting registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers (RLJ). Dit werd voortgezet na de reorganisatie van 101 MIDcie tot 101 MIpel. Personeel van 101 MIDcie legden de eed of belofte af op het vaandel van de Limburgse Jagers.

 

101 MIDcie werd onder de vleugels van 1e (NL) Legerkorps (1LK) opgericht en werd aangestuurd door de Hoofd G2 1LK te Apeldoorn. Hierdoor is er een direct historisch verband tussen 101 MIDcie en de voor-oorlogse Generale Staf, Afdeling III (GS III). In 1972 werd 101 MIDcie operationeel onder de Landmacht Inlichtingendienst (LAMID) gesteld, echter organisatorisch bleef 101 MIDcie onder 1LK vallen.


Toenmalige kapitein J.A. Bor werd in 1955 de eerste commandant van 101 MIDcie. In 1943 werd Bor door de Duitsers gedeporteerd en in een Pools gevangenkamp te Danzig tewerkgesteld. De gevangenen van dit geheel onder Duitse leiding opererende kamp, bestond uit ongeveer 10.000 Russen, vele Italianen en wat Polen. Bor verbleef in dit kamp in de jaren 1943, 1944 en 1945, en heeft tijdens zijn gevangenschap in dit kamp Russisch geleerd. Op 31 maart 1945 werd het kamp door de Russen bevrijd, waarna de tocht naar huis werd aangevangen.

Tijdens zijn tocht terug naar huis, kwam Bor ergens in 1945 in Berlijn aan, waar hij in contact kwam met de Engelsen. Hij werd als tolk Russisch in dienst van een Engelse commandant aangesteld. Er waren vele Russen, die vanuit het westelijke deel van bevrij Europa per trein naar het Oosten trokken om in de USSR te worden gedemobiliseerd. In Berlijn moest worden overgestapt en er was een grote behoefte aan tolken Engels/Russisch. Bor was toen nog geen officieel militair maar werd in een Engels militair uniform gehesen en kreeg de rang van sergeant met de functie tolk/vertaler Russisch/Engels. Doordat sergeant Bor regelmatig contact had met Russen, werd zijn militair Russisch steeds beter.

In 1945 kwam Bor terug in Nederland aan en werd daarna opnieuw naar Berlijn gezonden om hetzelfde werk te doen wat hij ervoor al had gedaan. Nu als sergeant in een Nederlands uniform als tolk/vertaler Nederlands/Engels/Russisch. Een van zijn neventaken was om te proberen zoveel mogelijk Nederlanders uit Oost-Duitsland te krijgen.

In 1947 ging hij op dezelfde datum dat zijn ontslag inging, het leger weer in, maar nu als toekomstig beroepsmilitair en ging Bor eerst naar de SROI (School Reserve Officieren Infanterie) om vervolgens in 1948 naar de KMA te gaan.


In 1950 ging de tweede-luitenant Bor met het Nederlands Detachement van de Verenigde Naties (NDVN) als vrijwilliger naar Korea in de functie van pelotonscommandant van een ondersteuningscompagnie. Na zijn terugkeer in 1951 werd tweede-luitenant Bor geplaatst op de SMID, als leraar militair Russisch.

In 1953 ging hij opnieuw als vrijwilliger naar Korea, un in de functie van S2 (inlichtingen).

De Generale Staf (G2D) had begin 1954 de wens te kennen gegeven een Inlichtingendienstcompagnie op te willen richten en had behoefte aan zoveel mogelijk gegevens. Zodoende kreeg Bor op 21 januari 1954 van de toenmalige bataljonscommandant NDVN, luitenant-kolonel Knulst, de opdracht zich in Korea de organisatie van een USA Inlichtingencompagnie eigen te maken.


Toen kapitein Bor in oktober 1954 uit Korea terugkwam werd gevraagd naar zijn ervaringen met een Inlichtingencompagnie naar Amerikaans model. Hij kreeg de opdracht een Inlichtingendienst Compagnie voor de 1LK (G2) op te richten en deze gestalte te geven.

Op 3 januari 1955 ging kapitein Bor naar 't Harde om daar een vleugel van een van de gebouwen over te nemen. Hij ging naar een van de gebouwen en opende de deur van wat later het bureau van de compagniescommandant zou worden. Hiermee was 101 MIDcie geboren.

In die eerste weken van januari 1955, kwamen ook de plaatsvervanger en enig ander personeel binnen. De eerste compagnie bestond dus uit ongeveer 25 personen. Administratief en registratief viel men toen onder 101 Tankbataljon, dat zich in 't Harde bevond.

 

De eerste ondervraagoefening werd door 101 MIDcie in 1956 uitgevoerd. De vertalers fungeerden als krijgsgevangen. De ondervragers moesten uit de gespeelde krijgsgevangenen aanwijzingen tot gegevens zien te verkrijgen. Ook dienden men andere eenheden te onderwijzen in slagordekennis.

 

Na 18 maanden was de compagnie uitgegroeid tot een eenheid, en men kon stellen dat het idee dat de oprichters voor ogen had gestaan, was waargemaakt. Een echte output was er echter nog niet. Het totale bestand was uitgegroeid tot ongeveer 65 personen, waarvan er altijd enkele tientallen

elders tewerkgesteld waren. Toen kapitein Bor op 07 juli 1956 als waarnemer naar Israël vertrok, werd kapitein P. Koene de nieuwe commandant 101 MIDcie.

Kapitein Koene had aan de wieg gestaan van het op papier oprichten van de Inlichtingendienst Compagnie. Tijdens de bezetting was hij naar Engeland gegaan. Daar kreeg hij verschillende inlichtingenopleidingen en werkte hij bij de Engelse Inlichtingendienst.

Voor hij naar Nederland terugkeerde, volgde hij nog een gevechtsinlichtingen cursus in Farnham en was daarna werkzaam bij de G2 van de tweede divisie tot augustus 1948. Hierna werd hij instructeur op de School Militaire Inlichtingendienst om daarna naar de G2D (1LK) te worden overgeplaatst.

 

Op 6 februari 1959 nam majoor Arons 101 MIDcie in 't Harde over. Majoor Arons diende tijdens de Tweede Wereldoorlog als officier bij de Binnenlandse Strijdkrachten. In mei 1945 werd hij benoemd tot commandant van de Gevangenis voor Politiek Gevangenen te Haarlem en van 1946 tot 1955 was hij als inlichtingenofficier werkzaam in Indonesië.

Hij onderging op de SMID in 1956 de cursus gevechtsinlichtingen. Hierna kreeg hij o.a. nog een opleiding bij de afdeling contra-inlichtingen.

 

1LK had eind jaren ’50 behoefte aan een eenheid, die voor 1LK verkenningen in de diepte kon uitvoeren. Hiervoor werd een LAV (Lange Afstand Verkenner) peloton opgericht en in september 1960 bij 101 MIDcie ondergebracht.

Per 01 september 1961 werd bij dit peloton op verzoek van majoor Arons als commandant de eerste luitenant Wilmar Klein aangesteld. Hij had tot taak deze eenheid te vormen, te trainen en steeds in hoogste staat van paraatheid te houden. Eerste luitenant Klein was reeds toen een grootheid op zijn vakgebied. Hij had niet alleen veel ervaring opgedaan in overzeese gebieden, hij had o.a. in Indië en Korea gediend waar hij meerdere malen onderscheiden werd, maar had ook ervaring als instructeur aan de SMID, waar hij eveneens hoog in aanzien stond.

De compagnie kreeg er dus een peloton bij onder verantwoordelijkheid van de commandant 101 MIDcie. De LAV was een aparte verschijning. De waas van geheimzinnigheid, die ongewild al over 101 MIDcie lag, werd zeker door de verhalen die de ronde deden over dit peloton, nog versterkt. De standplaats werd Nunspeet, echter verhuisde de LAV mee naar de Van Haeftenkazerne in 1963, maar bleven daar slechts een jaar.

Per 1 juni 1964 werden de ruim 30 man van het LAV peloton overgeplaatst naar het Korps Commandotroepen (KCT) en geplaatst in de nieuwe 101 Waarnemings- en Verkenningscompagnie (101 Wrn- en Verkcie) die anderhalve maand later op 20 augustus 1964 werd hernoemd tot 104 Wrn- en Verkcie (KCT Korpsorder No. 326). 101 MIDcie zag ze met lede ogen vertrekken.

Het kader uit Roosendaal was ook niet echt blij met hun komst, daar het personeel van het LAV peloton heel anders was opgeleid, dan het personeel dat zij tot dan gewend waren. Later zou blijken, dat deze manier van opleiden toch grote navolging zou ondervinden.

 

101 MIDcie kende de volgende afdelingen en ploegen:

Staf- en ondersteunende afdelingen:

- Compagniesstaf, met onder andere de compagniescommandant en zijn plaatsvervanger, de compagnies-sergeant-majoor, een administrateur en een foerier,

- Redactieploeg; redactie, correctie en vermenigvuldiging van rapporten,

- Bewakingsploeg,

- Geluidsopnameploeg.

 

Talenploegen:

- Ondervragingsploeg; ondervraging van krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers in hun eigen taal,

- Vertaalploeg; vertaling van documenten met waarde voor de gevechtsinlichtingen uit een vreemde taal,

- Tolkenploeg; assistentie bij onderhandelingen van commandanten en stafofficieren met geallieerde legers en burgers van een bevriend land,

- Documentenonderzoekploeg; analyse van buitgemaakte documenten.

 

Overige operationele ploegen:

- Slagordeploeg (SLO); verschaffing van slagorde-gegevens betreffende de tegenstander,

- Technische inlichtingen en coördinatieploeg (TIC); verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. vijandelijke materieel, inclusief het verkrijgen van dat materieel,

- Luchtfoto-interpretatie ploeg (LUFI, tot ±1972). Interpretatie van luchtfoto's met betrekking tot de opstelling van vijandelijke troepen, plaats en identificatie van wapens, verdedigingswerken en statische inrichtingen,

- Terreinanalyse ploeg (TAP, vanaf ±1970). Verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. terrein en weer,

- Ondersteuningsploegen ten behoeve van de secties G2/S2 (inlichtingen) van 1LK, de divisies en de brigades.

 

Halverwege de jaren ’80 werd 101 MIDcie gereorganiseerd, en werden Vertalers; Ondervragers en Slagordeploeg opgenomen in het LKODOC (LegerKorps Ondervraag- en Documenten Onderzoek Centrum). Deze organisatie was overgenomen van de AICDU (Allied Interrogation and Captured Documents Unit) van de Northern Army Group (NORTHAG) van de NAVO. In het LKODOC werden alle specialisaties opgenomen, die voor het verkrijgen van inlichtingen door middel van ondervragingen nodig waren, zoals een Geluidstechnische ploeg, een Slagordeploeg, een Vertaalploeg, een Inlichtingen Rapportageploeg en Ondervraagploegen (alle in drievoud). LKODOC werd geleid door drie hoofdondervragers (kap/ritm), die ondergebracht waren in het coördinatiecentrum.

 

In 1994 werd het TERDOC (Terrein Documentatie Centrum) van de Stafstafcompagnie van 101 Genie opgenomen in 101 MIDcie. TERDOC had de beschikking over een tekenkamer, een reproductie afdeling en een donkere kamer t.b.v. foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging. Toen 101 MIDcie eind 1995 reorganiseerde naar 101 MIpel, werden de tekenafdeling en foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging afdeling ondergebracht bij 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten). De reproductieafdeling werd ondergebracht bij het DOCCEN van de nieuw te vormen 4e Militaire Inlichtingengroep, waarin ook TERDOC werd ondergebracht. In juli 1998 werd de 4e Militaire Inlichtingengroep opgeheven en werd de genie-verkenningsgroep ondergebracht bij de 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten).

 

101 Militair Inlichtingen Peloton (101 MIpel) ontstond op 1 juli 1995, na de opheffing van 101 MIDcie, en werd registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers. 101 MIpel had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 MIPel werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.


Contra Inlichtingen Detachementen


Elk Krijgsmachtdeel had zijn eigen Contra Inlichtingen (CI) detachementen die belast waren met veiligheid. Zo had de Koninklijke Landmacht vier CI detachementen die allemaal operationeel onder de Landmacht Inlichtingendienst (LAMID) vielen. Echter, drie CI detachementen (449 CID, 450 CID en 451 CID) vielen organisatorisch onder de LAMID en één (111 CID) viel organisatorisch onder het 1e (NL) Leger Korps (1LK).

 

In 1954 werd de taak van een CI detachement omschreven als volgt:

'het nemen van defensieve en offensieve maatregelen ter beveiliging van inlichtingen, personeel en materiaal tegen spionage, sabotage, propaganda en subversieve activiteit van de vijand of van (groepen van) personen van wie bekend is of redelijkerwijs kan worden vermoed dat hun activiteit strijdig is met het nationaal belang'.

 

Defensieve CI was het treffen van preventieve veiligheidsmaatregelen om de militaire organisatie te beschermen en offensieve CI was het tijdig onderkennen van spionage, sabotage, propaganda en subversieve activiteiten zodat onderzoeken gedaan konden worden naar de achtergronden van geconstateerde of vermoede inbreuken op defensieve veiligheidsmaatregelen. Offensieve CI behield ook het verzamelen van inlichtingen over zaken en/of personen waarvan bekend was of vermoed werd dat zij een gevaar voor de militaire veiligheid opleverden.

 

Er waren vier CI detachementen, dit waren:

  • 111 CI detachement (111CID) die op 01 december 1957 voortkwam uit het 121 CI detachement. 111 CID viel organisatorisch onder het 1e Leger Korps en had Duitsland als operatiegebied. 111 CID was voornamelijk actief waar Nederlandse Landmacht eenheden gestationeerd waren of actief waren.
  • 449 CI detachement (449 CID) had als operatiegebied Oost- en Noord-Nederland. In 1984 beschikte 449 CID over drie plaatselijk gevestigde ploegen.
  • 450 CI detachement (450 CID) had als operatiegebied Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. In 1984 beschikte 450 CID over vier plaatselijk gevestigde ploegen.
  • 451 CI detachement (451 CID) had als operatiegebied Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In 1984 beschikte 449 CID over vijf plaatselijk gevestigde ploegen.

 

In 1984 hadden antimilitaristen ingebroken in de Knoopkazerne in Utrecht, waar onder meer 450 CI detachement was gevestigd. Daarbij werd een grote hoeveelheid materieel ontvreemd, dat later deels werd gepubliceerd.

 

In 1987 werd de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) goedgekeurd. In artikel 9, lid 1 stond "Er is één Militaire Inlichtingendienst" terwijl op dat moment elk krijgsmachtdeel een eigen inlichtingendienst had. Dit waren de Landmacht Inlichtingendienst (LAMID), de Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID) en de Marine Inlichtingendienst (MARID).

 

Naar aanleiding van de WIV, werden deze diensten omgebouwd naar Afdelingen Inlichtingen en Veiligheid (AIV). Er werd een organisatie opgericht bestaande uit de Hoofd Militaire Inlichtingendienst (H-MID), de hoofden van de stafafdelingen van de MID en de hoofden van de AIV’s van de krijgsmachtdelen. De laatsten vervulden daarbij mede de functie van Plaatsvervangend H-MID voor hun krijgsmachtdeel.

 

In 1992 volgde een reorganisatie waarbij de AIV’s en de CI detachementen werden gereorganiseerd. In deze reorganisatie werd een functionele scheiding van taken meegenomen, taken die onder de verantwoordelijkheid van H-MID vielen conform de WIV en in taken vallend onder verantwoordelijkheid van de Bevelhebber Landstrijdkrachten (BLS).

Voor wat betreft de Sectie Veiligheid van de AIV hield dit in dat die zich alleen bezig ging houden met Militaire Veiligheid (MV), wat onder de BLS viel. Activiteiten op het gebied van veiligheidsonderzoeken en CI operaties werd door de Afdeling Contra Inlichtingen en Veiligheid (ACIV) uitgevoerd, wat onder de MID viel.

 

Een in 1993 gehouden evaluatie van het domein veiligheid leidde in 1994 tot onderstaande reorganisatie:

 

  • Een verdere afsplitsing van de onder H-MID vallende veiligheidsonderzoeken en contra inlichtingen taken. Als gevolg hiervan werden de verschillende veldorganisaties bij de krijgsmachtdelen geïntegreerd tot één detachement, rechtstreeks geleid en direct ondergebracht bij de MID.
  • Een opdeling van het bureau Contra Inlichtingen naar een afdeling Contra Inlichtingen en een aparte afdeling Operatiën.

 

De reorganisatie van de Afdeling Contra Inlichtingen en Veiligheid zou gereed zijn in mei 1994 en de reorganisatie van de Afdeling Operatiën volgde in de loop van 1994.

 

Gezien het feit dat de MV taak binnen de Koninklijke Landmacht (KL) hetzelfde bleef en de CI organisatie al was afgestemd op de omvang van de KL in 1998, was de reorganisatie vooral een stroomlijning van het MV deel van de CI detachementen.

De nieuwe MV veldorganisatie ging er als volgt uitzien:

  • Staf MV veldorganisatie
  • Sectie Veiligheid
  • MV veldorganisatie
  • 111 MVdet, voorheen 111 CIdet,
  • 449 MVdet, voorheen 449 CIdet,
  • 450 MVdet, voorheen 450 CIdet,
  • 451 MVdet, voorheen 451 CIdet.

 

102 Elektronische Oorlogsvoering Compagnie (1988-heden)


Tijdens de Koude Oorlog onderkende de Koninklijke Landmacht de behoefte aan tactische elektronische oorlogvoering (EOV) capaciteit. Op 23 november 1988 werd 102 Elektronische Oorlogvoering Compagnie (102 EOVcie/102 EOV) opgericht als onderdeel van de verbindingsdiensten en hield zich bezig met elektronische oorlogvoering (Electronic Warfare/EW). Om haar taken uit te voeren, werden in 1988 Fuchs EW voertuigen aangeschaft. 102 EOV houdt zich bezig met het onderscheppen, afluisteren, uitpeilen, analyseren en (ver)storen van radiocommunicatie en andere typen radio-uitzendingen.


Bij de oprichting in 1988 werd 102 EOV administratief ingedeeld onder 898 Verbindingsbataljon (898 VbdBat). Bij het opheffen van 898 VbdBat in 1998, viel 102 EOV onder het 1e Leger Korps. In 2004 werd 102 EOV onderdeel van 103 ISTAR Bataljon en sinds 2011, na de reorganisatie van 103 ISTAR Bataljon, maakt 102 EOV onderdeel uit van het Joint ISTAR Commando (JISTARC).


102 EOV leverde een bijdrage aan de volgende operaties:

  • 1997 - 1998        Bosnië SFOR (Sisava)
  • 1998 - 2003        Bosnië SFOR (Banja Luka)
  • 2002                   Macedonië TFF
  • 2004 - 2005        Irak SFIR  
  • 2006 - 2010        Afghanistan DTF en TFU (Uruzgan)
  • 2011                   Afghanistan PTG (Kunduz)


Het logo van de eenheid was in eerste instantie opgebouwd zonder kraai en alleen uit de rode kleur (vijand of dreiging), de blauwe kleur (eigen troepen) en de twee bliksemschichten, die staan voor interceptie (ESM) en storen (ECM).

Pas later werd een kraai toegevoegd en de geschiedenis hiervan gaat ver terug. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen geallieerde ECM officieren, wiens taak het was om vijandelijke verbindingen en radars te storen, de codenaam ¨Raven¨ (raaf). Na de oorlog kregen een aantal van deze ¨Raven¨ operators de opdracht om een ¨SAC flying course in ECM operations¨ op vliegbasis McGuire, New Jersey, te volgen. Vanaf dat moment werd door de studenten de naam in Crows¨(kraaien) veranderd en werd het personeel, werkzaam in de EOV vak, aangeduid met ¨Old Crows¨.


Bij 102 EOV zijn 2 varianten van kraaien in gebruik (geweest), namelijk een omhoogkijkende kraai vaak in de kleuren zwart en grijs en een omlaagkijkende kraai vaak in het kleur zwart.


101 Militaire Inlichtingenpeloton (1995-2004)

 

101 Militair Inlichtingenpeloton (101 MIpel) ontstond op 1 juli 1995, na de opheffing van 101 MIDcie, en werd registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers. Personeel van 101 MIpel legden de eed of gelofte af op het vaandel van de Limburgse Jagers, tot aan de integratie van 101 MIpel in 101 MI&StStEsk (103 ISTAR bataljon).

101 MIpel had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 MIpel werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.

 

De inlichtingensteun van 101 MIpel diende te worden geleverd in het kader van zowel de voorbereiding van oorlogsoperaties (Algemene Verdedigingstaak) alsmede crisisbeheersingsoperaties en kon worden samengevat in:

 

- Ondervraagsteun,

- Het vervaardigen van klimaat- en terreinstudies,

- Vertaal- en inlichtingensteun, waaronder genietechnische inlichtingen,

- Het verzamelen en verwerken van informatie en inlichtingen.

 

In het kader van het uitvoeren van crisisbeheersingsoperaties diende 101 MIpel een uitgezonden Nederlandse dan wel andere NAVO-eenheid of staf te kunnen versterken met specialistisch inlichtingenpersoneel. Verder diende het peloton specialistische inlichtingencapaciteit beschikbaar te stellen voor spoedeisende opdrachten.

 

101 MIpel bestond uit de volgende onderdelen:

- 1e Militaire Inlichtingengroep (1MIgp).

Deze groep was gespecialiseerd op de gebieden krijgsgevangenondervraging en gijzeling. De groep bestond uit acht tot ondervraging opgeleide officieren die tevens een of meerdere vreemde talen beheersten. Verder waren hier twee soldaten-schrijvers, tevens chauffeur MB, een chauffeur 4-tonner en een korporaal onderhoud aggregaten aan toegevoegd. De groep werd gecompleteerd met een sergeant-majoor die deskundig was op het gebied van 'technische inlichtingen', zoals wapensystemenen voertuigen. Hierdoor was het mogelijk na bestudering van buitgemaakte documenten, wapens en materieel, de slagorde van een vijandelijke eenheid vast te stellen. In vredestijd hielden de ondervragers zich bezig met het krijgsmachtbreed trainen van personeel in 'weerstand bieden tegen krijgsgevangenenondervraging' en 'omgaan met gijzeling'. Hiertoe werden lezingen gegeven en oefeningen georganiseerd. Tijdens de oefeningen werkten de ondervragers nauw samen met buitenlandse partners. In oorlogstijd zou het personeel van 1Mlgp in teams van twee personen als mobiele ondervraagploegen worden ingezet.

 

- 2e Militaire Inlichtingengroep (2MIgp).

Deze groep vergaarde inlichtingen over weer en terrein. Deze werden in de vorm van klimaat- en terreinstudies ter beschikking gesteld aan de 3 krijgsmachtdelen. Deze studies hadden eerst nog de naam BVT (Beoordeling Van Toestand) naar werden al snel omgedoopt tot KTS. (Klimaat en Terrein Studies) Zij werden verzameld uit verschillende bronnen, zoals kaarten, literatuur, (inter)nationale netwerken en verkenningen ter plaatse. Bestonden er geen kaarten dan werden er nieuwe kaarten getekend en gedrukt op basis van luchtfoto's en verkenningsfoto's. Er werd deelgenomen aan oefeningen maar ook werd men uitgezonden naar oorlogsgebieden zoals Bosnië en Kosovo ter voorbereiding op mogelijke logistieke problemen en gebruik van militair materieel. 2MIgp bestond uit vier ploegen die zelfstandig opereerden. Elke ploeg bestond uit twee officier-terreinanalisten (rang van tweede luitenant), een fotograaf/chauffeur en een tekenaar/chauffeur. De groep werd ondersteund door genie-inlichtingenpersoneel dat aanvullende geniegegevens verstrekte.

 

- 3e Militaire Inlichtingengroep (3MIgp).

Deze groep bestond uit acht officieren en onderofficieren met een inlichtingenachtergrond. Hun taak bestond uit het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Deze inlichtingen werden uit verschillende bronnen verzameld. Met deze gegevens was men in staat de commandanten van uit te zenden eenheden optimaal op hun missie voor te bereiden. Er was daartoe een Geautomatiseerd Militair Inlichtingen Systeem (GEMIS) gecreëerd, een databank waarmee de verzamelde informatie snel kon worden geordend en geleverd. O.a. landen, gebeurtenissen, organisaties, groeperingen, namen, politieke partijen, leiders en doelstellingen waren verwerkt. Verder ondersteunde 3MIgp de voor een Vredesmissie aangewezen commandanten en hun eenheden m.b.v. lezingen en briefings.

 

- 4e Militaire Inlichtingengroep (4MIgp).

Deze groep zorgde voor het vermenigvuldigen en verspreiden van samengestelde documenten en het leveren van personeel en (materiële) informatiesteun t.b.v. de overige groepen, waaronder de optionele ploegen. Verder werden (genie)technische inlichtingen verzameld en verspreid. Een belangrijk onderdeel was het geven van lessen in vreemde wapens en uniformen. Dit was van belang voor uitzendingen in het kader van vredesmissies. Voorts werd informatie verspreid over vreemd materieel d.m.v. posters, dia's, en uitreikstukken. Tenslotte werd informatie verzameld door het m.b.v. videorecorders monitoren en opslaan van televisie-uitzendingen. In juli 1998 werd 4Mlgp opgeheven. De taken en het personeel van deze groep werden over de andere groepen herverdeeld.


Tot de afschaffing van de dienstplicht in 1994 werden veel van de specialistische functies binnen 101 MIDcie vervuld door universitair opgeleide dienstplichtigen.


Gedurende de UNPROFOR missie werd onder leiding van de Amerikanen en Britten een Joint Comission Observers (JCO) eenheid opgericht die bestond uit kleine groepjes SOF. JCO onderhield contacten met lokale autoriteiten en opereerden vanuit huizen in steden. Nederland leverde KCT personeel voor deze eenheid.

Tijdens de IFOR missie waren de Allied Counter Intelligence Unit (ACIU, voornamelijk Amerikaans personeel) en Joint Field Intelligence Unit (JFIU, voornamelijk Brits personeel) verantwoordelijk voor het verzamelen van informatie. Nederland heeft hier nooit een bijdrage aan geleverd.

Tijdens de SFOR missie werden ACIU en JFIU samengevoegd in de Allied Military Intelligence Bataljon (AMIB). AMIB werd direct aangestuurd door C-SFOR.

Vanaf 1998 droeg Nederland bij aan AMIB en in eerste instantie alleen met CI personeel van MID. 101MIpel (1MIgp) werd ook aangewezen en bleken het erg goed te doen, zij spraken zowel Engels als Russisch waardoor de overstap naar Servo-Kroatisch makkelijk was.


Op 1 januari 2004 werd 101 MIpel opgeheven en onderverdeeld binnen 101 Militaire Inlichtingen en Stafstafeskadron (101 MI&StStEsk) van 103 ISTAR bataljon, en gelegerd op de LKol Tonnetkazerne in ’t Harde. Vanuit 1MIgp ontstond de Field HUMINT Peloton (FHP). Vanuit 2MIgp en 3MIgp ontstond de All Source Intelligence Cell (ASIC).


101 Artillerie Ondersteuningsbatterij (-2011)


101 Artillerie Ondersteuningsbatterij (101 ArtOstBt) is voortgekomen uit 101 Artillerie Meetafdeling die zich bezighield met het inmeten van het terrein en het meten en verstrekken van meteorologische gegevens, ten behoeve van de artillerie. Na het oprichten van 103 ISTAR Bataljon in 2002, werd 101 ArtOstBt ingedeeld bij 103 ISTAR Bataljon. Na het toevoegen van 101 ArtOstBt bij 103 ISTAR Bataljon, werd zelf nagedacht over het hernoemen van 101 ArtOstBt naar 101 Doelopsporingsbatterij, wat uiteindelijk niet is doorgegaan.

Na de reorganisatie van 103 ISTAR Bataljon naar JISTARC in 2011, werd 101 ArtOstBt opgeheven.


101 ArtOstBt beschikte over drie radarpelotons, met elk twee Wapen Locatie Radar (WLR) radarsystemen en drie Doel Evaluatie Centra (DEC’s). De WLR was een radarsysteem waarmee ballistische banen (vlakbaanvuur, raketten en artillerie/mortieren) kon worden geïdentificeerd en herleid.


101 ArtOstBt werd o.a. ingezet in Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Irak en Afghanistan waar zij een belangrijke taak hadden om inkomend vuur op Nederlandse compounds/troepen tijdig te onderkennen en te waarschuwen.


101 Remotely Piloted Vehicles batterij (1998-2011)


101 Remotely Piloted Vehicles batterij (101 RPVbt) was opgericht op 01 maart 1998 en was een inlichtingenverzamelorgaan, ondergebracht binnen de traditie van de veldartillerie. 101 RPVbt had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 RPVbt werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.


Na het oprichten van 103 ISTAR Bataljon in 2002, werd 101 RPVbt ingedeeld bij 103 ISTAR Bataljon. Na de reorganisatie van 103 ISTAR Bataljon naar JISTARC in 2011, werd 101 RPVbt gereorganiseerd naar 107 Aerial Systems Batterij (107 ASbt).


101 RPVbt had vier sperwer pelotons, waarvan drie operationeel en één in reserve. Het reserve peloton zou, wanneer nodig, gevuld worden met personeel uit de instructie- en veiligheidsgroep.Tevens waren twee LSO groepen (liaison officiers divisie - batterij) verbonden aan het stafpeloton en had de batterij een logistiek peloton.

Elk sperwer peloton was opgebouwd uit een commandogroep, een grondcontrole stationgroep (besturing en interpretatie), een lanceergroep en een assemblage- en transportgroep (assembleren, testen en recovery van het vliegtuig). De batterijstaf had een eigen instructie- en veiligheidsgroep die verantwoordelijk was voor de verdere opleiding op het systeem ‘sperwer’ (niveau 2, 3 en 4). De initiële opleiding van het personeel (niveau 10 vond plaats op het Opleiding- en Trainingcentrum Vuursteun (OTCVust) bij de instructiegroep RPV.


De sperwer was een onbemand vliegtuig met een spanwijdte van circa vier meter. Het kon vier uur vliegen met een kruissnelheid van 180 km/u en had een vliegbereik van ongeveer 90 km (afhankelijk van de Light of Sight met het GDT). Het vliegtuig was uitgerust met een normale daglichtcamera (met grote zoomcapaciteit) en een infrarood (warmtebeeld) camera. De informatie overdracht van de camera’s naar de beeldinterpreteur was real-time.


Het logo van de eenheid is opgebouwd uit de inlichtingentoorts, het internationale velddienstteken van onbemande vliegtuigen en de kleuren van de artillerie (zwarte ondergrond en rode onbemande vliegtuig). De naamgeving bestaat uit groene letters en cijfers wat inhoudt dat 101 RPVbt een landmachteenheid is.


101 RPVbt is in Afghanistan ingezet en viel onder 1 (NLD) ISTAR Det TFU.