page contents
101 MIDcie en 101 MIpel

101 Militaire Inlichtingen Dienst Compagnie (101 MIDCie)

 

101 MIDcie was een onderdeel van de Nederlandse Koninklijke Landmacht en werd opgericht op 1 maart 1954. 101 MIDcie was sinds haar oprichting registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers (RLJ) en onder het vaandel van RLJ gesteld. Dit werd voortgezet na de reorganisatie van 101 MIDcie tot 101 MIpel. Personeel van 101 MIDcie legden de eed of gelofte af op het vaandel van de Limburgse Jagers, tot aan de reorganisatie naar 101 MIpel.

 

101 MIDcie werd onder de vleugels van 1e (NL) Legerkorps (1LK) opgericht en werd aangestuurd door de Hoofd G2 1LK te Apeldoorn. Hierdoor is er een direct historisch verband tussen 101 MIDcie en de voor-oorlogse Generale Staf, Afdeling III (GS III). In 1972 werd 101 MIDcie operationeel onder de Landmacht Militaire Inlichtingen Dienst (LAMID) gesteld, echter organisatorisch bleef 101 MIDcie onder 1LK vallen.


Toenmalige kapitein J.A. Bor werd in 1955 de eerste commandant van 101 MIDcie. In 1943 werd Bor door de Duitsers gedeporteerd en in een Pools gevangenkamp te Danzig tewerkgesteld. De gevangenen van dit geheel onder Duitse leiding opererende kamp, bestond uit ongeveer 10.000 Russen, vele Italianen en wat Polen. Bor verbleef in dit kamp in de jaren 1943, 1944 en 1945, en heeft tijdens zijn gevangenschap in dit kamp Russisch geleerd. Op 31 maart 1945 werd het kamp door de Russen bevrijd, waarna de tocht naar huis werd aangevangen.

Tijdens zijn tocht terug naar huis, kwam Bor ergens in 1945 in Berlijn aan, waar hij in contact kwam met de Engelsen. Hij werd als tolk Russisch in dienst van een Engelse commandant aangesteld. Er waren vele Russen, die vanuit het westelijke deel van bevrij Europa per trein naar het Oosten trokken om in de USSR te worden gedemobiliseerd. In Berlijn moest worden overgestapt en er was een grote behoefte aan tolken Engels/Russisch. Bor was toen nog geen officieel militair maar werd in een Engels militair uniform gehesen en kreeg de rang van sergeant met de functie tolk/vertaler Russisch/Engels. Doordat sergeant Bor regelmatig contact had met Russen, werd zijn militair Russisch steeds beter.

In 1945 kwam Bor terug in Nederland aan en werd daarna opnieuw naar Berlijn gezonden om hetzelfde werk te doen wat hij ervoor al had gedaan. Nu als sergeant in een Nederlands uniform als tolk/vertaler Nederlands/Engels/Russisch. Een van zijn neventaken was om te proberen zoveel mogelijk Nederlanders uit Oost-Duitsland te krijgen.

In 1947 ging hij op dezelfde datum dat zijn ontslag inging, het leger weer in, maar nu als toekomstig beroepsmilitair en ging Bor eerst naar de SROI (School Reserve Officieren Infanterie) om vervolgens in 1948 naar de KMA te gaan.


In 1950 ging de tweede-luitenant Bor met het Nederlands Detachement van de Verenigde Naties (NDVN) als vrijwilliger naar Korea in de functie van pelotonscommandant van een ondersteuningscompagnie. Na zijn terugkeer in 1951 werd tweede-luitenant Bor geplaatst op de SMID, als leraar militair Russisch.

In 1953 ging hij opnieuw als vrijwilliger naar Korea, un in de functie van S2 (inlichtingen).

De Generale Staf (G2D) had begin 1954 de wens te kennen gegeven een Inlichtingendienstcompagnie op te willen richten en had behoefte aan zoveel mogelijk gegevens. Zodoende kreeg Bor op 21 januari 1954 van de toenmalige bataljonscommandant NDVN, luitenant-kolonel Knulst, de opdracht zich in Korea de organisatie van een USA Inlichtingencompagnie eigen te maken.


Toen kapitein Bor in oktober 1954 uit Korea terugkwam werd gevraagd naar zijn ervaringen met een Inlichtingencompagnie naar Amerikaans model. Hij kreeg de opdracht een Inlichtingendienst Compagnie voor de 1LK (G2) op te richten en deze gestalte te geven.

Op 3 januari 1955 ging kapitein Bor naar 't Harde om daar een vleugel van een van de gebouwen over te nemen. Hij ging naar een van de gebouwen en opende de deur van wat later het bureau van de compagniescommandant zou worden. Hiermee was 101 MIDcie geboren.

In die eerste weken van januari 1955, kwamen ook de plaatsvervanger en enig ander personeel binnen. De eerste compagnie bestond dus uit ongeveer 25 personen. Administratief en registratief viel men toen onder 101 Tankbataljon, dat zich in 't Harde bevond.

 

De eerste ondervraagoefening werd door 101 MIDcie in 1956 uitgevoerd. De vertalers fungeerden als krijgsgevangen. De ondervragers moesten uit de gespeelde krijgsgevangenen aanwijzingen tot gegevens zien te verkrijgen. Ook dienden men andere eenheden te onderwijzen in slagordekennis.

 

Na 18 maanden was de compagnie uitgegroeid tot een eenheid, en men kon stellen dat het idee dat de oprichters voor ogen had gestaan, was waargemaakt. Een echte output was er echter nog niet. Het totale bestand was uitgegroeid tot ongeveer 65 personen, waarvan er altijd enkele tientallen

elders tewerkgesteld waren. Toen kapitein Bor op 07 juli 1956 als waarnemer naar Israël vertrok, werd kapitein P. Koene de nieuwe commandant 101 MIDcie.

Kapitein Koene had aan de wieg gestaan van het op papier oprichten van de Inlichtingendienst Compagnie. Tijdens de bezetting was hij naar Engeland gegaan. Daar kreeg hij verschillende inlichtingenopleidingen en werkte hij bij de Engelse Inlichtingendienst.

Voor hij naar Nederland terugkeerde, volgde hij nog een gevechtsinlichtingen cursus in Farnham en was daarna werkzaam bij de G2 van de tweede divisie tot augustus 1948. Hierna werd hij instructeur op de School Militaire Inlichtingendienst om daarna naar de G2D (1LK) te worden overgeplaatst.

 

Op 6 februari 1959 nam majoor Arons 101 MIDcie in 't Harde over. Majoor Arons diende tijdens de Tweede Wereldoorlog als officier bij de Binnenlandse Strijdkrachten. In mei 1945 werd hij benoemd tot commandant van de Gevangenis voor Politiek Gevangenen te Haarlem en van 1946 tot 1955 was hij als inlichtingenofficier werkzaam in Indonesië.

Hij onderging op de SMID in 1956 de cursus gevechtsinlichtingen. Hierna kreeg hij o.a. nog een opleiding bij de afdeling contra-inlichtingen.

 

1LK had eind jaren ’50 behoefte aan een eenheid, die voor 1LK verkenningen in de diepte kon uitvoeren. Hiervoor werd een LAV (Lange Afstand Verkenner) peloton opgericht en in september 1960 bij 101 MIDcie ondergebracht.

Per 01 september 1961 werd bij dit peloton op verzoek van majoor Arons als commandant de eerste luitenant Wilmar Klein aangesteld. Hij had tot taak deze eenheid te vormen, te trainen en steeds in hoogste staat van paraatheid te houden. Eerste luitenant Klein was reeds toen een grootheid op zijn vakgebied. Hij had niet alleen veel ervaring opgedaan in overzeese gebieden, hij had o.a. in Indië en Korea gediend waar hij meerdere malen onderscheiden werd, maar had ook ervaring als instructeur aan de SMID, waar hij eveneens hoog in aanzien stond.

De compagnie kreeg er dus een peloton bij onder verantwoordelijkheid van de commandant 101 MIDcie. De LAV was een aparte verschijning. De waas van geheimzinnigheid, die ongewild al over 101 MIDcie lag, werd zeker door de verhalen die de ronde deden over dit peloton, nog versterkt. De standplaats werd Nunspeet, echter verhuisde de LAV mee naar de Van Haeftenkazerne in 1963, maar bleven daar slechts een jaar.

Per 1 juni 1964 werden de ruim 30 man van het LAV peloton overgeplaatst naar het Korps Commandotroepen (KCT) en geplaatst in de nieuwe 101 Waarnemings- en Verkenningscompagnie (101 Wrn- en Verkcie) die anderhalve maand later op 20 augustus 1964 werd hernoemd tot 104 Wrn- en Verkcie (KCT Korpsorder No. 326). 101 MIDcie zag ze met lede ogen vertrekken.

Het kader uit Roosendaal was ook niet echt blij met hun komst, daar het personeel van het LAV peloton heel anders was opgeleid, dan het personeel dat zij tot dan gewend waren. Later zou blijken, dat deze manier van opleiden toch grote navolging zou ondervinden.

 

101 MIDcie kende de volgende afdelingen en ploegen:

Staf- en ondersteunende afdelingen:

- Compagniesstaf, met onder andere de compagniescommandant en zijn plaatsvervanger, de compagnies-sergeant-majoor, een administrateur en een foerier,

- Redactieploeg; redactie, correctie en vermenigvuldiging van rapporten,

- Bewakingsploeg,

- Geluidsopnameploeg.

 

Talenploegen:

- Ondervragingsploeg; ondervraging van krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers in hun eigen taal,

- Vertaalploeg; vertaling van documenten met waarde voor de gevechtsinlichtingen uit een vreemde taal,

- Tolkenploeg; assistentie bij onderhandelingen van commandanten en stafofficieren met geallieerde legers en burgers van een bevriend land,

- Documentenonderzoekploeg; analyse van buitgemaakte documenten.

 

Overige operationele ploegen:

- Slagordeploeg (SLO); verschaffing van slagorde-gegevens betreffende de tegenstander,

- Technische inlichtingen en coördinatieploeg (TIC); verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. vijandelijke materieel, inclusief het verkrijgen van dat materieel,

- Luchtfoto-interpretatie ploeg (LUFI, tot ±1972). Interpretatie van luchtfoto's met betrekking tot de opstelling van vijandelijke troepen, plaats en identificatie van wapens, verdedigingswerken en statische inrichtingen,

- Terreinanalyse ploeg (TAP, vanaf ±1970). Verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. terrein en weer,

- Ondersteuningsploegen ten behoeve van de secties G2/S2 (inlichtingen) van 1LK, de divisies en de brigades.

 

Halverwege de jaren ’80 werd 101 MIDcie gereorganiseerd, en werden Vertalers; Ondervragers en Slagordeploeg opgenomen in het LKODOC (LegerKorps Ondervraag- en Documenten Onderzoek Centrum). Deze organisatie was overgenomen van de AICDU (Allied Interrogation and Captured Documents Unit) van de Northern Army Group (NORTHAG) van de NAVO. In het LKODOC werden alle specialisaties opgenomen, die voor het verkrijgen van inlichtingen door middel van ondervragingen nodig waren, zoals een Geluidstechnische ploeg, een Slagordeploeg, een Vertaalploeg, een Inlichtingen Rapportageploeg en Ondervraagploegen (alle in drievoud). LKODOC werd geleid door drie hoofdondervragers (kap/ritm), die ondergebracht waren in het coördinatiecentrum.

 

In 1994 werd het TERDOC (Terrein Documentatie Centrum) van de Stafstafcompagnie van 101 Genie opgenomen in 101 MIDcie. TERDOC had de beschikking over een tekenkamer, een reproductie afdeling en een donkere kamer t.b.v. foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging. Toen 101 MIDcie eind 1995 reorganiseerde naar 101 MIpel, werden de tekenafdeling en foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging afdeling ondergebracht bij 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten). De reproductieafdeling werd ondergebracht bij het DOCCEN van de nieuw te vormen 4e Militaire Inlichtingengroep, waarin ook TERDOC werd ondergebracht. In juli 1998 werd de 4e Militaire Inlichtingengroep opgeheven en werd de genie-verkenningsgroep ondergebracht bij de 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten).

 

101 Militair Inlichtingen Peloton (101 MIpel) ontstond op 1 juli 1995, na de opheffing van 101 MIDcie, en werd registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers. 101 MIpel had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 MIPel werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.


101 Militaire Inlichtingen Peloton (101 MIpel)

 

101 Militair Inlichtingen Peloton (101 MIpel) ontstond op 1 juli 1995, na de opheffing van 101 MIDcie, en werd registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers. Personeel van 101 MIpel legden de eed of gelofte af op het vaandel van de Limburgse Jagers, tot aan de integratie van 101 MIpel in 101 MI&StStEsk (103 ISTAR bataljon).

101 MIpel had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 MIPel werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.

 

De inlichtingensteun van 101 MIpel diende te worden geleverd in het kader van zowel de voorbereiding van oorlogsoperaties (Algemene Verdedigingstaak) alsmede crisisbeheersingsoperaties en kon worden samengevat in:

 

- Ondervraagsteun,

- Het vervaardigen van klimaat- en terreinstudies,

- Vertaal- en inlichtingensteun, waaronder genietechnische inlichtingen,

- Het verzamelen en verwerken van informatie en inlichtingen.

 

In het kader van het uitvoeren van crisisbeheersingsoperaties diende 101 MIpel een uitgezonden Nederlandse dan wel andere NAVO-eenheid of staf te kunnen versterken met specialistisch inlichtingenpersoneel. Verder diende het peloton specialistische inlichtingencapaciteit beschikbaar te stellen voor spoedeisende opdrachten.

 

101 MIPel bestond uit de volgende onderdelen:

- 1e Militaire Inlichtingengroep (1MIgp).

Deze groep was gespecialiseerd op de gebieden krijgsgevangenondervraging en gijzeling. De groep bestond uit acht tot ondervraging opgeleide officieren die tevens een of meerdere vreemde talen beheersten. Verder waren hier twee soldaten-schrijvers, tevens chauffeur MB, een chauffeur 4-tonner en een korporaal onderhoud aggregaten aan toegevoegd. De groep werd gecompleteerd met een sergeant-majoor die deskundig was op het gebied van 'technische inlichtingen', zoals wapensystemenen voertuigen. Hierdoor was het mogelijk na bestudering van buitgemaakte documenten, wapens en materieel, de slagorde van een vijandelijke eenheid vast te stellen. In vredestijd hielden de ondervragers zich bezig met het krijgsmachtbreed trainen van personeel in 'weerstand bieden tegen krijgsgevangenenondervraging' en 'omgaan met gijzeling'. Hiertoe werden lezingen gegeven en oefeningen georganiseerd. Tijdens de oefeningen werkten de ondervragers nauw samen met buitenlandse partners. In oorlogstijd zou het personeel van 1Mlgp in teams van twee personen als mobiele ondervraagploegen worden ingezet.

 

- 2e Militaire Inlichtingengroep (2MIgp).

Deze groep vergaarde inlichtingen over weer en terrein. Deze werden in de vorm van klimaat- en terreinstudies ter beschikking gesteld aan de 3 krijgsmachtdelen. Deze studies hadden eerst nog de naam BVT (Beoordeling Van Toestand) naar werden al snel omgedoopt tot KTS. (Klimaat en Terrein Studies) Zij werden verzameld uit verschillende bronnen, zoals kaarten, literatuur, (inter)nationale netwerken en verkenningen ter plaatse. Bestonden er geen kaarten dan werden er nieuwe kaarten getekend en gedrukt op basis van luchtfoto's en verkenningsfoto's. Er werd deelgenomen aan oefeningen maar ook werd men uitgezonden naar oorlogsgebieden zoals Bosnië en Kosovo ter voorbereiding op mogelijke logistieke problemen en gebruik van militair materieel. 2MIgp bestond uit vier ploegen die zelfstandig opereerden. Elke ploeg bestond uit twee officier-terreinanalisten (rang van tweede luitenant), een fotograaf/chauffeur en een tekenaar/chauffeur. De groep werd ondersteund door genie-inlichtingenpersoneel dat aanvullende geniegegevens verstrekte.

 

- 3e Militaire Inlichtingengroep (3MIgp).

Deze groep bestond uit acht officieren en onderofficieren met een inlichtingenachtergrond. Hun taak bestond uit het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Deze inlichtingen werden uit verschillende bronnen verzameld. Met deze gegevens was men in staat de commandanten van uit te zenden eenheden optimaal op hun missie voor te bereiden. Er was daartoe een Geautomatiseerd Militair Inlichtingen Systeem (GEMIS) gecreëerd, een databank waarmee de verzamelde informatie snel kon worden geordend en geleverd. O.a. landen, gebeurtenissen, organisaties, groeperingen, namen, politieke partijen, leiders en doelstellingen waren verwerkt. Verder ondersteunde 3MIgp de voor een Vredesmissie aangewezen commandanten en hun eenheden m.b.v. lezingen en briefings.

 

- 4e Militaire Inlichtingengroep (4MIgp).

Deze groep zorgde voor het vermenigvuldigen en verspreiden van samengestelde documenten en het leveren van personeel en (materiële) informatiesteun t.b.v. de overige groepen, waaronder de optionele ploegen. Verder werden (genie)technische inlichtingen verzameld en verspreid. Een belangrijk onderdeel was het geven van lessen in vreemde wapens en uniformen. Dit was van belang voor uitzendingen in het kader van vredesmissies. Voorts werd informatie verspreid over vreemd materieel d.m.v. posters, dia's, en uitreikstukken. Tenslotte werd informatie verzameld door het m.b.v. videorecorders monitoren en opslaan van televisie-uitzendingen. In juli 1998 werd 4Mlgp opgeheven. De taken en het personeel van deze groep werden over de andere groepen herverdeeld.


Tot de afschaffing van de dienstplicht in 1994 werden veel van de specialistische functies binnen 101 MIDcie vervuld door universitair opgeleide dienstplichtigen.


Gedurende de UNPROFOR missie werd onder leiding van de Amerikanen en Britten een Joint Comission Observers (JCO) eenheid opgericht die bestond uit kleine groepjes SOF. JCO onderhield contacten met lokale autoriteiten en opereerden vanuit huizen in steden. Nederland leverde KCT personeel voor deze eenheid.

Tijdens de IFOR missie waren de Allied Counter Intelligence Unit (ACIU, voornamelijk Amerikaans personeel) en Joint Field Intelligence Unit (JFIU, voornamelijk Brits personeel) verantwoordelijk voor het verzamelen van informatie. Nederland heeft hier nooit een bijdrage aan geleverd.

Tijdens de SFOR missie werden ACIU en JFIU samengevoegd in de Allied Military Intelligence Bataljon (AMIB). AMIB werd direct aangestuurd door C-SFOR.

Vanaf 1998 droeg Nederland bij aan AMIB en in eerste instantie alleen met CI personeel van MID. 101MIpel (1MIgp) werd ook aangewezen en bleken het erg goed te doen, zij spraken zowel Engels als Russisch waardoor de overstap naar Servo-Kroatisch makkelijk was.


Op 1 januari 2004 werd 101 MIpel opgeheven en onderverdeeld binnen 101 Militaire Inlichtingen en Stafstafeskadron (101 MI&StStEsk) van 103 ISTAR bataljon, en gelegerd op de LKol Tonnetkazerne in ’t Harde. Vanuit 1MIgp ontstond de Field HUMINT Peloton (FHP). Vanuit 2MIgp en 3MIgp ontstond de All Source Intelligence Cell (ASIC).