page contents
BBO en BI

Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) en Bureau Inlichtingen (BI)

 

Aangezien de Koningin en de regering in ballingschap in Londen verbleven, was er zowel vanuit Engeland als vanuit bezet Nederland grote behoefte aan informatie en contact. Spionage speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog dan ook een belangrijke rol in het Nederlandse verzet.

 

De eerste verzetsgroepen, zoals De Geuzen, de Ordedienst (OD) en de groep rond Vrij Nederland, hadden als het om spionage ging een enorm probleem: er was geen contact met Engeland. De vooroorlogse geheime dienst GS III was volkomen overvallen door de Duitse aanval en had in het geheel geen maatregelen getroffen; er waren na de capitulatie geen contactpersonen in bezet gebied en er waren geen verbindingen. De Britse Secret Intelligence Service (SIS) had precies twee contactpersonen, die hun zender en geheime code achterlieten bij de Nederlander J. de Geus voor zij werden gearresteerd.

 

In Engeland was inmiddels François van 't Sant benoemd tot hoofd van de nieuwe Centrale Inlichtingendienst (CID) en eind augustus 1940 stuurde deze zijn eerste agent naar Nederland, Lodewijk van Hamel. Van Hamel had een zender bij zich, en had tot taak enkele spionagegroepen op te richten. In Nederland werd hij geholpen door de Leidse student Hans Hers en door de bankier E.E. Menten die ook later zeer actief zou zijn in het verzet, onder meer door financiële steun aan illegale bladen waaronder Vrij Nederland. Van Hamel slaagde in zijn missie, hij wist zelfs twee nieuwe zenders in gebruik te krijgen. In oktober verzocht hij naar Engeland terug te keren. Hij zou daartoe in Friesland worden opgepikt door een watervliegtuig op het Tjeukemeer. Helaas werd hij verraden en in een hinderlaag gelokt; ook een verstopte koffer met belastende papieren werd teruggevonden.

 

Medio 1942 was onder het Departement van Oorlog het Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer (BMVT) opgericht dat op haar beurt in 1942 het Bureau Voorbereiding van de Terugkeer naar Nederland en het Herstel van het Wettig Gezag Aldaar (BVT) had vervangen. Dit bureau had zowel een inlichtingen- als een actietaak die sloot aan op die van de Britse sabotagedienst Special Operations Executive (SOE). In maart 1944 werd de actietaak overgenomen door het nieuw opgerichte Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) . BBO regelde de uitzending van Nederlandse geheim agenten en speciale eenheden naar bezet gebied die zich daar vooral bezighielden met de ondersteuning van verzetsactiviteiten.

 

BBO werkte nauw samen met de Britse geheime dienst Special Operations Executive, dat een leidende rol had in de geallieerde sabotage-activiteiten achter vijandelijke linies. Tot de taken van het BBO behoorde het aanzetten tot opstand en guerrilla-acties in door de Duitsers bezette gebied, het hinderen van de vijand via sabotageacties (zoals het opblazen van spoorwegen) en het organiseren en steunen van het plaatselijk verzet, onder meer door voorzieningen van wapens en ammunitie te leveren en het steunen van de illegale pers.

 

BBO bestond naast het BI, dat geheim agenten uitstuurde met de opdracht in het bezette Nederland inlichtingen te verzamelen en naar Londen te zenden.

 

Tussen 31 maart 1944 en 23 april 1945 landden in totaal 70 geheim agenten per parachute in Nederland, waarvan 17 om het leven kwamen. Op 86 verschillende afwerpterreinen werden 211 wapen- en andere goederendroppingen verzorgd. Ook was het BBO betrokken bij speciale Jedburgh-operaties die zich vanaf september 1944 op Nederlands grondgebied afspeelden.

 

Na de bevrijding werd in mei 1945 een kantoor van het BBO in Utrecht gevestigd dat onder meer belast werd met onderzoek naar Duitse infiltratie in het BBO. Op 3 december 1945 werd het BBO onder bevel van de chef van de generale staf geplaatst. Op 1 maart 1946 werd het kantoor in Utrecht opgeheven, gevolgd door het hoofdkantoor in Londen op 1 juni van dat jaar.

 

Op 28 november 1942 werd het Bureau Inlichtingen (BI) opgericht. Het BI viel onder de minister van Oorlog. De taak van het BI was, aldus de tekst in het desbetreffende Koninklijk Besluit: <……Het inwinnen, verzamelen en doorgeven ter bevoegder plaatse van alle inlichtingen, welke van belang zijn voor de handhaving van de rust en veiligheid van het koninkrijk, de oorlogvoering en de daaruit voortvloeiende deelneming aan de geallieerde oorlogvoering, alsmede voor de voorbereiding tot het heroveren van het Nederlands grondgebied en het herstel en het behoud van het wettig gezag daarover……>.In januari 1943 werd kapitein Jan Marginus Somer bij het BI belast met de opleiding en uitzending van de agenten naar bezet Nederland. Na een inventarisatie van de problemen besloot Somer om de opvang van Engelandvaarders in Madrid te verbeteren. Het BI opende in Madrid een dependance. Mr. Harry Linthorst Homan (1905-1989) kreeg de leiding over de Buitenpost Madrid.

 

Op 12 februari 1943 werd de tweede luitenant Gijs de Jong in de staf van het BI opgenomen. De Jong was een oud-leerling van Somer. De Jong werd verbindingsofficier en hij was belast met de werving en selectie van de agenten. Hij was de uitdenker van de te volgen tactiek en hij bedacht de codenamen van de agenten. Bovendien was hij een voortreffelijk codeur.

 

In een instructie van 5 augustus 1943 van de minister van Oorlog, werd bepaald dat alleen het BI de geheime berichtenwisseling met bezet gebied mocht verzorgen. Door deze instructie kreeg het BI een zeer nauwe band met de Ordedienst (OD). Bij de OD lag de nadruk vanaf de oprichting op de voorbereiding van de situatie die bij het vertrek van de vijand zou ontstaan. Hoewel dit enigszins gewapend optreden uitsloot, betekende het wel dat het uitwisselen van gegevens met de Nederlandse regering een centrale plaats bij de leiding van de OD innam. Van het begin af aan was voor het BI de OD een organisatie met een duidelijke structuur en continuïteit waarmee zaken kon worden gedaan.

 

Na de april-mei stakingen van 1943 was ook door de Raad van Verzet (RVV) in de loop van het jaar diverse malen telegrafisch om hulp van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen verzocht. Reacties hierop waren uitgebleven, tot de afgevaardigde Andries Ausems van deze organisatie eind 1943 naar Londen reisde. Het gevolg van al die toenemende dringende verzoeken was dat minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy het BI opdroeg als intermediair tussen de Nederlandse regering in Londen en de RVV op te treden.

 

Op 26 juli 1943 werd de inmiddels tot majoor bevorderde Somer benoemd tot hoofd van het BI. Onder zijn leiding groeide het BI uit tot een goede inlichtingenorganisatie. Bij de werving van de agenten kreeg het BI de eerste keus uit de daarvoor in aanmerking komende Engelandvaarders. Het hoofdkwartier van het BI was gehuisvest in Lowndes Square in Knightsbridge, ten zuiden van Hyde Park, in Londen. Van hieruit werden de contacten onderhouden met de buitenposten in Stockholm, Bern, Genève, Madrid en Lissabon.

 

Zoals alle Engelandvaarders die in Londen aankwamen, werden de aspirant-agenten in de Royal Victoria Patriotic School door de Britse Security Service (MI-5) gescreend. Daarna volgde een verhoor bij een Nederlandse dienst; aanvankelijk bij de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) en na de reorganisatie van deze dienst, in de loop van 1942, bij de Politie-Buitendienst (PBD). Na vrijgave door de MI-5 en de PBD verbleven de agenten tijdelijk op de Oranjehaven. De agenten die de agenten-opleiding volgden verbleven in Huize Anna, dat was ondergebracht in het Engelse buitenhuis Glenlea, in Dulwich. Kapitein Gijs de Jong was als verbindingsofficier verantwoordelijk voor de begeleiding van de aspirant-agenten.

 

De aspirant-agenten die op de Politie Buitendienst voor het Bureau Inlichtingen werden geselecteerd, werden niet voor sabotagewerkzaamheden maar voor het bedrijven van spionage getraind. Na de algemene Secret Intelligence Service opleiding, die als basisopleiding van de BI-agenten kon worden beschouwd, volgde daarna de doorslaggevende test radiotelegrafie. Slechts dertig procent van de aspirant-agenten was in staat om de eerste en daaropvolgende seintests naar behoren te kunnen volbrengen. Bij deze tests speelde niet alleen de seinsnelheid, maar zeker ook het al dan niet vlot beheersen van de Engelse taal een grote rol. Het axioma van de seinsnelheid lag op 15-20 lettergrepen per minuut. In de praktijk betekende dat ongeveer drie letters per twee seconden. Voor de grote meerderheid van de aspirant-agenten was dit een groot struikelblok. Van de dertig procent geselecteerden viel vervolgens nogmaals zo’n twintig procent af als gevolg van gebleken tekortkomingen of andere problemen met de gestelde eisen.

 

De radiozendontvanger waarvan de radiotelegrafisten van het BI bij hun berichtenwisseling met het BI in Londen en Eindhoven gebruikmaakten was veelal de Kofferset A MK III. De radiozendontvanger was niet veel groter dan een schrijfmachinekoffertje, was niet schokbestendig en raakte bij de landing menigmaal defect. Een zendkristal bepaalde de golflengte. De meeste radiotelegrafisten hadden meer dan één kristal bij zich zodat zij in staat waren om van golflengte te wisselen; twee kristallen voor de 40-meter band en twee voor de 80-meter band. Een nadeel was dat tijdens de uitzending het niet mogelijk was om van golflengte te veranderen. De zender was uit te peilen indien de agent ging zenden. Naast de radiozendontvanger hadden sommige agenten de beschikking over een Radiotelefonie (RT) set. Met de RT-set was het mogelijk om radiotelefonisch contact te leggen met de operator van het BI in het verkenningsvliegtuig van de RAF dat op afgesproken tijden boven de Biesbosch, de Noordzee en later boven het Zuiden van bevrijd Nederland cirkelde. Indien gebruikgemaakt werd van de RT-set kon het radiocontact in "klare taal" plaatsvinden. Tijdens hun opleiding in Engeland was de agenten door hun instructeurs verteld dat de zenders niet waren uit te peilen. Tijdens hun werkzaamheden in bezet Nederland kwamen de agenten er in de praktijk achter dat zij tijdens hun opleiding hierover verkeerd waren voorgelicht.

 

In de periode van 11 maart 1943 t/m 12 april 1945 werden door het BI 44 agenten boven bezet Nederland geparachuteerd, verdeeld over 26 vluchten.

 

Het bureau MVT werd op 6 september 1944 omgevormd tot het bureau Militair Gezag. Onder het Militair Gezag was het Bureau Nationale Veiligheid (BNV) de centrale veiligheidsinstantie die ook verantwoordelijk was voor de screening op politieke betrouwbaarheid van de naar Nederlands-Indië uit te zenden militairen. Die afdeling functioneerde in feite als militaire veiligheidsdienst en stond onder leiding van een militair.

Toen in maart 1946 het Militair Gezag werd opgeheven kwam het BNV onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Per 31 december 1946 werd het BNV opgeheven en werden de activiteiten van de BNV voortgezet door de civiele Centrale Veiligheidsdienst (CVD), voorloper van de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).

De Generale Staf onder het Militair Gezag kende geen afdeling veiligheid, want daarvoor was het BNV. De Generale Staf kende alleen een Afdeling III Inlichtingen die bestond uit de Afdeling A Buitenland en de Afdeling B Binnenland. In 1948 werd de afdeling omgedoopt in “Sectie G3 Inlichtingen”. De Generale Staf van de Landmacht kende eind 1946 de Hoofdafdelingen IIIa (verwerking van inlichtingen) en IIIb (beveiliging) en vanaf mei 1946 IIIc. IIIc had 2 onderafdelingen: IIIc, Afdeling 1 (Operatie), die inlichtingen in het buitenland zou moeten inwinnen, onder meer door het uitzenden van agenten, en IIIc, Afdeling 2 (Voorbereiding), die een 'stay behind' organisatie zou moeten opzetten met het oog op een eventuele bezetting. Uit IIIc, Afdeling 2 zou de organisatie voortkomen die in de volksmond zou worden aangeduid als “Gladio”. Afdeling IIIc werd in 1948 omgedoopt in "Sectie G7 Algemene Zaken" en op 1 juli 1949 in "Sectie Algemene Zaken" (SAZ).