page contents
Militaire Inlichtingen Eenheden

Dutchhelmets

De Nederlandse stalen helm 1916-1992


Militaire inlichtingen eenheden


Dutchhelmets is opzoek naar allerlei militaria, zoals emblemen, documentatie, uniformen, uitmonsteringen e.d., die te maken hebben met Nederlandse inlichtingen organisaties en eenheden. Ook aanvullende informatie en 'weetjes' zijn zeer welkom.

Mocht u materiaal in bezit hebben en dit weg willen doen, dan mag u gerust contact opnemen met Dutchhelmets via het contact formulier.


Geschiedenis van de toorts en het credo “In Tenebris Lucens”


De toorts, ook fakkel genoemd, is historisch bepalend voor Nederlandse militaire inlichtingen eenheden en is in combinatie met het credo een erkend symbool voor inlichtingen binnen de Koninklijke Landmacht. De toorts wijst naar voren en werpt licht op onbekend terrein of dat wat door anderen getracht wordt te verhullen. Het naar voren gekanteld zijn is ook de belichaming van voorhoede, innovatie, vernieuwing en vooruitstrevendheid, en dus ook het naar voren leunen om verrassingen te voorkomen.

 

De toorts vindt haar oorsprong in het embleem dat door de Generale Staf, Sectie III (GS III) gebruikt werd op het door hen uitgegeven periodieke inlichtingenbulletin “De Fakkel”. GS III is de eerste vorm van een georganiseerde inlichtingendienst die het Koninkrijk der Nederlanden gekend heeft en alle vormen van inlichtingendiensten/eenheden die Nederland ooit gekend heeft, vinden hun oorsprong in deze afdeling.

Tegenwoordig wordt de toorts nog steeds gevoerd door het Defensie Inlichtingen en Veiligheidsinstituut (DIVI), door het Joint ISTAR Commando (JISTARC), 105 Field HUMINT Compagnie, 106 Inlichtingen Compagnie, 107 Aerial Systems Batterij en het Korps Inlichtingen & Veiligheid (I&V).


Het credo “In Tenebris Lucens” is afgeleid van de Latijnse en Bijbelse passage “lux in tenebris lucet”, wat betekent “lichtend in de duisternis”. Het credo verwijst naar de symbolische betekenis van de toorts. Dit credo werd in combinatie met de toorts gevoerd door de SMID en de Landmacht inlichtingendienst (LAMID).

Tegenwoordig wordt het credo nog steeds gevoerd als het motto van het DIVI en het Korps I&V.


In 1950 ontstond op de SMID het idee om de toorts als eenheidssymbool in te voeren, naar voorbeeld van de periodieke inlichtingenbulletin “De Fakkel” (GS III), en in 1951 werd een stempel met de toorts voor de eerste maal gebruikt. In 1954 werd de toorts door 101 Militaire Inlichtingendienst Compagnie (101 MIDcie) ingevoerd als eenheidssymbool.

De toorts werd ook door de in 1972 opgerichte LAMID als embleem ingevoerd. De LAMID kan worden verbonden aan de GS III doordat het een voortzetting was van de Centrale Inlichtingendienst (CID). De CID werd in 1940 opgericht als opvolger van de GS III en het primaire doel was om contact te houden met bezet Nederland.

451 Contra Inlichtingen Detachement (451 CIDet) heeft in de jaren '80 ook de toorts (en credo) als eenheidssymbool gevoerd.


In 1994, vlak voor het bezoek van de Inspecteur Generaal voor de Krijgsmacht (IGK), luitenant-generaal Maas aan 101 MIDcie, gaf de Compagnie Commandant aan twee leden van de eenheid de opdracht een ontwerp te maken voor een nieuw logo. Het uiteindelijk ontwerd was een logo waarin de wereldbol belicht werd met de toorts. Er werden 2 exemplaren uit triplex gemaakt, waarvan 1 exemplaar aan de IGK werd geschonken. Het andere exemplaar heeft jarenlang de katheder van 101 MIpel gesierd.

Na het opnemen van 101 Mlpel in 101 MI&StStEsk, kreeg het originele logo een plaats binnen het eskadronsgebouw en werd het logo gevoerd door 103 ISTAR Bataljon.

 

Met het oprichten van het Korps I&V op 20 november 2020, werd het credo en toorts als Korpssymbool ingevoerd. Zowel het credo als toorts zijn uitgebeeld op de Wapenonderscheidingstekenen die door leden van het Korps I&V worden gedragen.

Symbolisch gezien heeft de toorts een sterke betekenis voor het Korps I&V. De toorts vertegenwoordigt de eigenschappen die het inlichtingen en veiligheid vakgebied belichaamt. De omhoog geheven toorts is een fier teken van waakzaamheid. Het vuur van de toorts beschermt tegen (onbekende) dreigingen die op de loer liggen. De toorts verlicht de duisternis en brengt inzichten die voorheen niet gezien konden worden. Het vuur staat symbool voor (mentale) kracht, geestelijke verlichting en creativiteit.


Generale Staf sectie III (GS III), Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) en Bureau Inlichtingen (BI)


De Generale Staf, Afdeling III (GS III) was de eerste moderne Nederlandse militaire inlichtingendienst en werd op 25 juni 1914 opgericht met als doel het verzamelen van militaire gegevens over diverse Europese landen. GS III was aanvankelijk gevestigd in het hoofdkwartier van de Generale Staf aan het Lange Voorhout 7, maar kreeg later een eigen pand op nummer 52.


Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte GS III vanuit Rotterdam intensief samen met de Britse Secret Intelligence Service (SIS). Aan het eind van de oorlog richtte de dienst zich meer op binnenlandse veiligheid en na de Eerste Wereldoorlog besloot de Nederlandse regering dat het in stand houden van een binnenlands veiligheidsapparaat gewenst was. Deze taak werd ondergebracht bij bureau GS IIIB, onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Dit bureau opereerde onder de naam Centrale Inlichtingendienst.

Het bureau GS IIIA bleef verantwoordelijk voor het vergaren van inlichtingen over het buitenland. De medewerkers van dit bureau waren vaak onderofficieren van Cavalerie of Koninklijke Marechaussee.


De Generale Staf III bestond o.a. uit de volgende onderdelen:

- GS IIIA - inlichtingen over het buitenland,
- GS IIIB - inlichtingen over het binnenland,
- GS IIIC - contraspionage.


Ondanks dat het oorspronkelijk een kleine eenheid was, wist GS III enkele grote inlichtingensuccessen te behalen. Een voorbeeld van een van de successen van GS III is het beroemde ‘api-api’ telegram dat verstuurd werd door een KNIL officier. Dit telegram was bedoeld als waarschuwing voor de aankomende Duitse dreiging en stelde Nederland in staat om als een van de eerste Europese machten haar krijgsmacht te mobiliseren.

Alle vormen van inlichtingendiensten die Nederland ooit gekend heeft vinden hun oorsprong in deze afdeling.


Aangezien de Koningin en de regering in ballingschap in Londen verbleven, was er zowel vanuit Engeland als vanuit bezet Nederland grote behoefte aan informatie en contact. Spionage speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog dan ook een belangrijke rol in het Nederlandse verzet.

De eerste verzetsgroepen, zoals De Geuzen, de Ordedienst (OD) en de groep rond Vrij Nederland, hadden als het om spionage ging een enorm probleem: er was geen contact met Engeland. De vooroorlogse geheime dienst GS III was volkomen overvallen door de Duitse aanval en had in het geheel geen maatregelen getroffen; er waren na de capitulatie geen contactpersonen in bezet gebied en er waren geen verbindingen. De Britse Secret Intelligence Service (SIS) had precies twee contactpersonen, die hun zender en geheime code achterlieten bij de Nederlander J. de Geus voor zij werden gearresteerd.

In Engeland was inmiddels François van 't Sant benoemd tot hoofd van de nieuwe Centrale Inlichtingendienst (CID) en eind augustus 1940 stuurde deze zijn eerste agent naar Nederland, Lodewijk van Hamel. Van Hamel had een zender bij zich, en had tot taak enkele spionagegroepen op te richten. In Nederland werd hij geholpen door de Leidse student Hans Hers en door de bankier E.E. Menten die ook later zeer actief zou zijn in het verzet, onder meer door financiële steun aan illegale bladen waaronder Vrij Nederland. Van Hamel slaagde in zijn missie, hij wist zelfs twee nieuwe zenders in gebruik te krijgen. In oktober verzocht hij naar Engeland terug te keren. Hij zou daartoe in Friesland worden opgepikt door een watervliegtuig op het Tjeukemeer. Helaas werd hij verraden en in een hinderlaag gelokt; ook een verstopte koffer met belastende papieren werd teruggevonden.


Medio 1942 was onder het Departement van Oorlog het Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer (BMVT) opgericht dat op haar beurt in 1942 het Bureau Voorbereiding van de Terugkeer naar Nederland en het Herstel van het Wettig Gezag Aldaar (BVT) had vervangen. Dit bureau had zowel een inlichtingen- als een actietaak die sloot aan op die van de Britse sabotagedienst Special Operations Executive (SOE). In maart 1944 werd de actietaak overgenomen door het nieuw opgerichte Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) . BBO regelde de uitzending van Nederlandse geheim agenten en speciale eenheden naar bezet gebied die zich daar vooral bezighielden met de ondersteuning van verzetsactiviteiten.


BBO werkte nauw samen met de Britse geheime dienst Special Operations Executive, dat een leidende rol had in de geallieerde sabotage-activiteiten achter vijandelijke linies. Tot de taken van het BBO behoorde het aanzetten tot opstand en guerrilla-acties in door de Duitsers bezette gebied, het hinderen van de vijand via sabotage-acties (zoals het opblazen van spoorwegen) en het organiseren en steunen van het plaatselijk verzet, onder meer door voorzieningen van wapens en ammunitie te leveren en het steunen van de illegale pers.

BBO bestond naast het BI, dat geheim agenten uitstuurde met de opdracht in het bezette Nederland inlichtingen te verzamelen en naar Londen te zenden.

Tussen 31 maart 1944 en 23 april 1945 landden in totaal 70 geheim agenten per parachute in Nederland, waarvan 17 om het leven kwamen. Op 86 verschillende afwerpterreinen werden 211 wapen- en andere goederendroppingen verzorgd. Ook was het BBO betrokken bij speciale Jedburgh-operaties die zich vanaf september 1944 op Nederlands grondgebied afspeelden.

Na de bevrijding werd in mei 1945 een kantoor van het BBO in Utrecht gevestigd dat onder meer belast werd met onderzoek naar Duitse infiltratie in het BBO. Op 3 december 1945 werd het BBO onder bevel van de chef van de generale staf geplaatst. Op 1 maart 1946 werd het kantoor in Utrecht opgeheven, gevolgd door het hoofdkantoor in Londen op 1 juni van dat jaar.


Op 28 november 1942 werd het Bureau Inlichtingen (BI) opgericht. Het BI viel onder de minister van Oorlog. De taak van het BI was, aldus de tekst in het desbetreffende Koninklijk Besluit: <……Het inwinnen, verzamelen en doorgeven ter bevoegder plaatse van alle inlichtingen, welke van belang zijn voor de handhaving van de rust en veiligheid van het koninkrijk, de oorlogvoering en de daaruit voortvloeiende deelneming aan de geallieerde oorlogvoering, alsmede voor de voorbereiding tot het heroveren van het Nederlands grondgebied en het herstel en het behoud van het wettig gezag daarover……>.In januari 1943 werd kapitein Jan Marginus Somer bij het BI belast met de opleiding en uitzending van de agenten naar bezet Nederland. Na een inventarisatie van de problemen besloot Somer om de opvang van Engelandvaarders in Madrid te verbeteren. Het BI opende in Madrid een dependance. Mr. Harry Linthorst Homan (1905-1989) kreeg de leiding over de Buitenpost Madrid.

Op 12 februari 1943 werd de tweede luitenant Gijs de Jong in de staf van het BI opgenomen. De Jong was een oud-leerling van Somer. De Jong werd verbindingsofficier en hij was belast met de werving en selectie van de agenten. Hij was de uitdenker van de te volgen tactiek en hij bedacht de codenamen van de agenten. Bovendien was hij een voortreffelijk codeur.

In een instructie van 5 augustus 1943 van de minister van Oorlog, werd bepaald dat alleen het BI de geheime berichtenwisseling met bezet gebied mocht verzorgen. Door deze instructie kreeg het BI een zeer nauwe band met de Ordedienst (OD). Bij de OD lag de nadruk vanaf de oprichting op de voorbereiding van de situatie die bij het vertrek van de vijand zou ontstaan. Hoewel dit enigszins gewapend optreden uitsloot, betekende het wel dat het uitwisselen van gegevens met de Nederlandse regering een centrale plaats bij de leiding van de OD innam. Van het begin af aan was voor het BI de OD een organisatie met een duidelijke structuur en continuïteit waarmee zaken kon worden gedaan.

Na de April-meistakingen van 1943 was ook door de Raad van Verzet (RVV) in de loop van het jaar diverse malen telegrafisch om hulp van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen verzocht. Reacties hierop waren uitgebleven, tot de afgevaardigde Andries Ausems van deze organisatie eind 1943 naar Londen reisde. Het gevolg van al die toenemende dringende verzoeken was dat minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy het BI opdroeg als intermediair tussen de Nederlandse regering in Londen en de RVV op te treden.

Op 26 juli 1943 werd de inmiddels tot majoor bevorderde Somer benoemd tot hoofd van het BI. Onder zijn leiding groeide het BI uit tot een goede inlichtingenorganisatie. Bij de werving van de agenten kreeg het BI de eerste keus uit de daarvoor in aanmerking komende Engelandvaarders. Het hoofdkwartier van het BI was gehuisvest in Lowndes Square in Knightsbridge, ten zuiden van Hyde Park, in Londen. Van hieruit werden de contacten onderhouden met de buitenposten in Stockholm, Bern, Genève, Madrid en Lissabon.


Zoals alle Engelandvaarders die in Londen aankwamen, werden de aspirant-agenten in de Royal Victoria Patriotic School door de Britse Security Service (MI-5) gescreend. Daarna volgde een verhoor bij een Nederlandse dienst; aanvankelijk bij de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) en na de reorganisatie van deze dienst, in de loop van 1942, bij de Politie-Buitendienst (PBD). Na vrijgave door de MI-5 en de PBD verbleven de agenten tijdelijk op de Oranjehaven. De agenten die de agenten-opleiding volgden verbleven in Huize Anna, dat was ondergebracht in het Engelse buitenhuis Glenlea, in Dulwich. Kapitein Gijs de Jong was als verbindingsofficier verantwoordelijk voor de begeleiding van de aspirant-agenten.

De aspirant-agenten die op de Politie Buitendienst voor het Bureau Inlichtingen werden geselecteerd, werden niet voor sabotagewerkzaamheden maar voor het bedrijven van spionage getraind. Na de algemene Secret Intelligence Service opleiding, die als basisopleiding van de BI-agenten kon worden beschouwd, volgde daarna de doorslaggevende test radiotelegrafie. Slechts dertig procent van de aspirant-agenten was in staat om de eerste en daaropvolgende seintests naar behoren te kunnen volbrengen. Bij deze tests speelde niet alleen de seinsnelheid, maar zeker ook het al dan niet vlot beheersen van de Engelse taal een grote rol. Het axioma van de seinsnelheid lag op 15-20 lettergrepen per minuut. In de praktijk betekende dat ongeveer drie letters per twee seconden. Voor de grote meerderheid van de aspirant-agenten was dit een groot struikelblok. Van de dertig procent geselecteerden viel vervolgens nogmaals zo’n twintig procent af als gevolg van gebleken tekortkomingen of andere problemen met de gestelde eisen.

De radiozendontvanger waarvan de radiotelegrafisten van het BI bij hun berichtenwisseling met het BI in Londen en Eindhoven gebruikmaakten was veelal de Kofferset A MK III (Marconi). De radiozendontvanger was niet veel groter dan een schrijfmachinekoffertje. De radioset was niet schokbestendig en raakte bij de landing menigmaal defect. Een zendkristal bepaalde de golflengte. De meeste radiotelegrafisten hadden meer dan een kristal bij zich zodat zij in staat waren om van golflengte te wisselen; twee kristallen voor de 40-meter band en twee voor de 80-meter band. Een nadeel was dat tijdens de uitzending het niet mogelijk was om van golflengte te veranderen. De zender was uit te peilen indien de agent ging zenden. Naast de radiozendontvanger hadden sommige agenten de beschikking over een Radio-Telefonie (RT) set. Met de RT-set was het mogelijk om radiotelefonisch contact te leggen met de operator van het BI in het verkenningsvliegtuig van de RAF dat op afgesproken tijden boven de Biesbosch, de Noordzee en later boven het Zuiden van bevrijd Nederland cirkelde. Indien gebruikgemaakt werd van de RT-set kon het radiocontact in "klare taal" plaatsvinden. Tijdens hun opleiding in Engeland was de agenten door hun instructeurs verteld dat de zenders niet waren uit te peilen. Tijdens hun werkzaamheden in bezet Nederland kwamen de agenten er in de praktijk achter dat zij tijdens hun opleiding hierover verkeerd waren voorgelicht.

In de periode van 11 maart 1943 t/m 12 april 1945 werden door het BI 44 agenten boven bezet Nederland geparachuteerd, verdeeld over 26 vluchten.


Het bureau MVT werd op 6 september 1944 omgevormd tot het bureau Militair Gezag. Onder het Militair Gezag was het Bureau Nationale Veiligheid (BNV) de centrale veiligheidsinstantie die ook verantwoordelijk was voor de screening op politieke betrouwbaarheid van de naar Nederlands-Indië uit te zenden militairen. Die afdeling functioneerde in feite als militaire veiligheidsdienst en stond onder leiding van een militair.
Toen in maart 1946 het Militair Gezag werd opgeheven kwam het BNV onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Per 31 december 1946 werd het BNV opgeheven en werden de activiteiten van de BNV voortgezet door de civiele Centrale Veiligheidsdienst (CVD), voorloper van de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).
De Generale Staf onder het Militair Gezag kende geen afdeling veiligheid, want daarvoor was het BNV. De Generale Staf kende alleen een Afdeling III Inlichtingen die bestond uit de Afdeling A Buitenland en de Afdeling B Binnenland. In 1948 werd de afdeling omgedoopt in “Sectie G3 Inlichtingen”. De Generale Staf van de Landmacht kende eind 1946 de Hoofdafdelingen IIIa (verwerking van inlichtingen) en IIIb (beveiliging) en vanaf mei 1946 IIIc. IIIc had 2 onderafdelingen: IIIc, Afdeling 1 (Operatie), die inlichtingen in het buitenland zou moeten inwinnen, onder meer door het uitzenden van agenten, en IIIc, Afdeling 2 (Voorbereiding), die een 'stay behind' organisatie zou moeten opzetten met het oog op een eventuele bezetting. Uit IIIc, Afdeling 2 zou de organisatie voortkomen die in de volksmond zou worden aangeduid als “Gladio”. Afdeling IIIc werd in 1948 omgedoopt in "Sectie G7 Algemene Zaken" en op 1 juli 1949 in "Sectie Algemene Zaken" (SAZ).

Vanaf 1949 nam de Koninklijke Landmacht de organisatie over van de Amerikaanse leger, en kreeg iedere eenheid van bataljonsniveau en hoger een staf met de secties S1 t/m S4. Sectie 2 (S2) was verantwoordelijk voor inlichtingen en veiligheid, waardoor iedere commandant zijn eigen “inlichtingenorgaan” had. Sectie G3 Inlichtingen van de Generale Staf van de Landmacht werd omgedoopt naar Sectie G2 Inlichtingen.


Bij de marinestaf stelde Minister van Marine op 27 november 1945 een Bureau Inlichtingen in. De naam “Bureau Inlichtingen” werd in december 1978 gewijzigd in “Afdeling inlichtingen en veiligheid” en in 1988 in “Afdeling Inlichtingen”. Deze had dezelfde rol als de Secties 2 bij Landmacht en Luchtmacht eenheden.


Op 9 augustus 1949 werd bij de Marine de Marine Inlichtingendienst (MARID) en bij de Landmacht de Militaire Inlichtingendienst (MID) opgericht. Op 25 augustus 1951 werd de Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID) opgericht.

Omdat de diensten van de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine óók militaire inlichtingendiensten waren, werd de naam MID op 1 september 1972 gewijzigd in Landmacht Inlichtingendienst (LAMID). 

De LAMID, LUID en MARID vielen onder het Ministerie van Defensie. Het hoofd van deze diensten was tevens het hoofd van de S2 bij de Landmachtstaf en Luchtmachtstaf resp. van Bureau Inlichtingen van de Marinestaf. Veel medewerkers werkten zowel voor de inlichtingendienst als voor de S2.


Een Engelse schoudertitel uit de 2e Wereldoorlog zoals deze werd gedragen door Engels Inlichtingen personeel. Dergelijke schoudertitels werden ook gedragen door de Engelse instructeurs op de School of Military Intelligence in Farnham, waar Nederlandse inlichtingen personeel werd opgeleid.


Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS)


NEFIS was een Nederlandse militaire inlichtingendienst tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het doel was in eerste instantie het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de geallieerde strijdkrachten met betrekking tot Nederlands-Indië dat bezet was door Japan.

De dienst ontstond in 1941 toen de Nederlandse commandant zeemacht vice-admiraal C.E.L. Helfrich een liaison-officier naar de Australian Commonwealth Naval Board zond in Melbourne. Deze officier, kapitein-luitenant-ter-zee Salm, hield zich ook met inlichtingenwerk bezig. Hij verzamelde toen een aantal personen om zich heen die gespecialiseerd waren in het inlichtingenwerk. Zijn organisatie kreeg de naam Marine- en Leger Inlichtingendienst. Toen Japan in februari 1942 Nederlands-Indië binnenviel, werd reeds aan enkele prominenten en hooggeplaatste autoriteiten van de Nederlands-Indische regering opdracht gegeven uit te wijken naar Australië. Hieronder bevond zich ook een aantal stafofficieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (K.N.I.L.), onder wie majoor jhr. J.M.R. Sandberg, de kapiteins Dirk Cornelis Buurman van Vreeden, G.L. Reinderhoff, S.H. Spoor en H.J. de Vries. Later zouden daar ook onder anderen luitenant-kolonel N.L.W. van Straten, afkomstig van Timor, en kapitein der marechaussee F. van der Veen bij komen.


In april 1942 was de Marine- en Leger Inlichtingendienst verder uitgebreid met onder anderen majoor Spoor (inmiddels bevorderd). Kapitein Reinderhoff werd zijn eerste medewerker. Ook luitenant-ter-zee der eerste klasse C.A.F.H. Douw van der Krap trad toe. De naam 'NEFIS' is toen ontstaan omdat de contacten met de andere geallieerde staven allemaal als voertaal Engels hadden en men vond de Nederlandse benaming niet praktisch. Ook had men een duidelijk leesbaar briefhoofd nodig. In contacten met de geallieerde bondgenoten werd deze organisatie dus voortaan verder aangeduid als Netherlands Forces Intelligence Service. Bij een reorganisatie in april 1943 ging de organisatie ook officieel zo heten. De opstart fase van NEFIS was problematisch. De Nederlandse autoriteiten wensten zo veel mogelijk medewerking te verlenen aan de geallieerde bondgenoten en in het bijzonder diens opperbevelhebber generaal Douglas MacArthur. Echter, de Nederlandse afdeling binnen de verzamelde inlichtingendiensten (die moesten samenwerken onder het opgerichte A.I.B., het Allied Intelligence Buro), bleek amper in staat op korte termijn belangrijke informatie te kunnen leveren, aangezien men met nagenoeg niets moest beginnen. Hier wraakte zich de jarenlange veronachtzaming aangaande het opzetten van een professionele inlichtingendienst voor het uitbreken van de oorlog. In de periode april 1942 - april 1943 ging de NEFIS dan ook gebukt onder een enorme druk om met resultaten te komen. De Amerikaanse generale staf had vooral dringend behoefte aan geografische en topografische informatie aangaande Nederlands Indië, in het bijzonder Nieuw-Guinea.

In april 1943 werd de NEFIS gereorganiseerd. Dit was de officiële (door-)start van de NEFIS. Nu de verschillende geallieerde inlichtingendiensten werden gebundeld en rechtstreeks onder bevel stonden van het hoofd van de sectie inlichtingen 'G2' van de generale staf van generaal Douglas MacArthur, de generaal-majoor Charles Willoughby, kon ook de NEFIS steeds beter aansluiting vinden bij de groeiende vraag van het geallieerde opperbevel, alhoewel nog steeds met structureel te weinig middelen en mensen moest worden gewerkt.


De NEFIS had nu de volgende duidelijk omschreven taken gekregen, opgesplitst in drie secties:

- Sectie I. Het verzamelen, verwerken en distribueren van alle inlichtingen betreffende Nederlands-Indië welke voor de oorlogvoering van belang kunnen zijn (Operational Intelligence, Interrogation, Geographical Intelligence, Intelligence Summaries, Topographical Registry and Information, Photo Interpretation, Press review, Research). Sectie I werd geleid door majoor Spoor (assistant director),
- Sectie II. De zorg voor de veiligheid bij de Nederlandse strijdkrachten in Australië (Security). Sectie II werd geleid door Ltz Douw van der Krap (assistant director),
- Sectie III. Het verkrijgen van inlichtingen op speciale wijze en het uitvoeren van "Special Operations" (Commando uitzendingen in vijandelijk gebied). Sectie III werd geleid door Ltz J. Quéré (assistant director) en in augustus 1943 werd hij opgevolgd worden door Ltz L Brouwer.


In het begin van de oorlog hield de NEFIS zich uitsluitend bezig met het verkrijgen van inlichtingen uit het door de Japanners bezette Nederlands-Indië (sectie I). Later kwamen daar ook spionage- en sabotageacties bij, die werden uitgevoerd door agenten ook wel 'parties' genoemd, die met behulp van vliegtuigen en onderzeeboten in bezet gebied gedropt werden (sectie III). Deze commando eenheden hebben het extreem moeilijk gehad, en velen kwamen in de eerste periode niet terug van hun missies. Men had zich binnen de NEFIS enorm verkeken op de nieuw ontstane situatie in de bezette gebieden. De Japanners hadden inmiddels een groot spionagenetwerk opgezet en maakte veel gebruik van het oplevende nationalistische sentiment onder de Indonesische bevolking, die meewerkte met de Japanners. Als men als commando eenmaal was geland op bezet gebied, was de kans op verraad zeer groot, hetwelk dan ook veelvuldig voorkwam. Voor de uitgezonden commando's die gevangen werden betekende het feitelijk (na martelingen) een zekere doodstraf. Binnen de NEFIS alsook bij het politieke leiderschap van de Nederlands-Indische commissie ontstond grote beroering over de te voeren acties. Ook op Nieuw-Guinea werden 'parties' uitgezonden waarbij onder anderen kapitein F. van der Veen betrokken was. Vanaf juni 1943 werd 19 man van het Korps Insulinde, de speciale commando eenheid die op Ceylon gestationeerd was, toegevoegd aan sectie III. Tevens zond sectie I in 1944 majoor GL Reinderhoff naar de staf van de Amerikaanse generaal Walter Krueger van het 6e Amerikaanse leger, die inmiddels ook op Nieuw-Guinea was geland, om ter plekke de Amerikanen behulpzaam te zijn met de planning van toekomstige landingen.


In juni-augustus 1944 werd de NEFIS verder uitgebouwd en kwamen er drie secties bij:

- Sectie IV, Military Intelligence (M.I.),
- Sectie V, Civil Affairs Intelligence,
- Sectie VI, Technische Photo Service (T.P.S.).


Inmiddels was de NEFIS sterkte uitgegroeid naar ruim 300 man en vrouw, marine en burgerpersoneel niet inbegrepen. Als nieuwe directeur NEFIS werd nu luitenant-kolonel S.H. Spoor benoemd. Sectie I stond onder bevel van majoor G.L. Reinderhoff, sectie II onder luitenant-ter-zee J.C. Smit, sectie III onder luitenant-ter-zee A.A. Fresco, sectie IV onder luitenant-vlieger-ter-zee J.H. Perié, sectie V onder dr. G.W. Locher. Sectie VI was nog niet operationeel. De organisatie van de NEFIS werd nu klaargestoomd voor de te verwachten invasie van Java en de andere gebiedsdelen van Nederlands-Indië.


In 1945 werd de NEFIS gereorganiseerd zodat de dienst na de Japanse capitulatie de nieuwe veiligheidsdienst in Nederlands-Indië kon vormen. In september en oktober 1945 werd de NEFIS overgeplaatst van Melbourne (Australië) naar Nederlands-Indië en werd gevestigd in Batavia op Java.

Na een chaotisch begin ging de dienst zich in Nederlands-Indië bezighouden met het verzamelen van inlichtingen over de nieuwe plaatselijke politieke groeperingen. De inlichtingendienst speelde een belangrijke rol tijdens de overgangsperiode alsook de latere onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië. In 1948 ging de NEFIS op in de nieuwe overkoepelende Centrale Militaire Inlichtingendienst (CMI). Deze dienst kwam rechtstreeks onder bevel van opperbevelhebber generaal Spoor. De directeur was luitenant-kolonel G.L. Reinderhoff geworden, die na de overdracht van Nederlands-Indië aan de nieuwe Republiek Indonesië zou overgaan naar de Koninklijke Landmacht. De CMI werd in 1950 opgeheven na de soevereiniteitsoverdracht.


School Militaire Inlichtingen Dienst (SMID) en Defensie Inlichtingen en Veiligheids Instituut (DIVI)


Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Engeland begonnen met het opleiden van Nederlands personeel voor inlichtingen werkzaamheden. Het betrof hier voornamelijk personeel geselecteerd door Nederlandse instanties en aangewezen voor agentenwerk in het bezette Nederland. Het selecteren gebeurde door de Militaire Inlichtingendienst (MID), de Bureau Inlichtingen (BI) en de Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO).

Bijna alle operationele inlichtingenpersoneel werd opgeleid op Engelse inlichtingen scholen en naast de agentenopleiding had men ook opleidingsinstituten voor gevechtsinlichtingen (battle-intelligence schools). Een daarvan was gevestigd in het Engelse Farnham. Enkele Nederlandse officieren werden opgeleid voor inlichtingenfuncties bij de latere Prinses Irene Brigade. Ook in Nederland werd door het verzet praktijkervaring opgedaan op het gebied van inlichtingenwerk.

 

Ondanks de opgedane ervaring en hoeveelheid opgeleid personeel, viel de oogst van inlichtingenfunctionarissen na de oorlog tegen. Velen waren gesneuveld, gedemobiliseerd of waren vertrokken naar Nederlands Indië. Er was dan ook een schrijnend gebrek aan gekwalificeerd inlichtingenpersoneel in de jaren 1945-1946.

 

In 1945 vertrokken lichte infanteriebataljons met provisorisch opgeleid inlichtingenpersoneel naar Indië. Het gebrek aan goed opgeleid inlichtingenpersoneel werd daar aan den lijve ondervonden. Een noodoplossing was het voorstel om op een eenvoudige School Militaire Inlichtingen, bemand door drie officieren en enkele onderofficieren, cursussen van twee weken te geven. Dit idee was echter niet van de grond gekomen.

 

In de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog namen ook drie groepen van Nederlandse officieren deel aan de Engelse cursussen voor gevechtsinlichtingen bij de School of Military Intelligence in Farnham. Zij waren bestemd voor gevechtsinlichtingen functies bij eenheden bestemd voor Indië, de 7 Decemberdivisie en voor de 2de Divisie. Enkelen bleven in Nederland achter en werden de eerste instructeurs in Breda.

Door de officieren die aan deze cursussen deel hadden genomen, werd sterk aangedrongen op een soortgelijke opleiding in eigen land. Het werd uiteindelijk 16 juni 1946 dat de School Militaire Inlichtingendienst (SMID) bij Ministeriële Beschikking werd opgericht. De legering was in het Julianakamp te Kijkduin, waar ook het Indische Instructiebataljon (IIB) was gevestigd.

Met steun van de Engelse school in Farnham werd in zeer korte tijd een cursus gevechtsinlichtingen (GI) en een cursus veldveiligheid (W) ontwikkeld. In de periode van 16 juni 1946 tot 31 december 1947 werden aan 426 cursisten les gegeven, waarvan aan 275 een 6-weekse cursus gevechtsinlichtingen.

Achteraf gezien heeft achter de schermen in de eerste 6 maanden van 1946 een rijpingsproces plaatsgevonden dat leidde tot de oprichting van de School MID.

 

In augustus 1946 werd aan de SMID een leraar Maleis aangesteld en de eerste cursus Maleis werd bezocht door zeer veel KNIL-personeel, dat later werd ingedeeld bij het Korps Speciale Troepen (KST).

In 1947 werd de SMID naar Breda overgeplaatst, waar ze een zelfstandig bestaan leidde. De school was ondergebracht in de oude besmettelijk zieken barak van de voormalige Koninklijke Militaire Academie (KMA). Een stenen gebouw, waarin 5 bureaus en 3 leslokalen beschikbaar waren. Legering van de cursisten was in de bijgebouwen van de KMA.

 

Omstreeks september 1947 ging er een bezuinigingsgolf door het Nederlandse leger en ook de SMID zou hiervan de gevolgen ondervinden. Juist toen in samenwerking met de sectie MID van de Generale Staf door commandant SMID een voorstel was ingediend om de school uit te breiden in verband met de te verwachten opdrachten tot het opleiden van personeel voor het veldleger, kwam als een donderslag bij heldere hemel het bericht dat de SMID zou worden teruggebracht tot de status van Cursus Militaire Inlichtingendienst (CMID) en zou worden ingedeeld bij de Infanterieschool, die men wilde oprichten te Harderwijk.

 

Reeds spoedig kreeg de CMID een goede naam omdat er goede resultaten werden geboekt. Na verloop van tijd verscheen hulp in de vorm van twee afgestudeerde vaandrigs die na hun Gl-cursus aan konden blijven als hulpinstructeur.

In het voorjaar van 1950 werd bij het Hoofdkwartier der Generale Staf (HKGS) een nieuw bureau opgericht, namelijk het Bureau Planning Inlichtingendienst (G2D). De Amerikaanse organisatie werd toen ten aanzien van de staven ingevoerd en ook de CMID heeft in enkele maanden tijd al zijn lessen herzien met gebruikmaking van Amerikaanse voorschriften en publicaties.

In 1950 begonnen ook de fundamenten van 101 MIDcie te ontstaan. Er waren plannen om een legerkorps met 2 divisies op te richten met een MIDcie op legerkorps niveau.

 

Door hoofd G2D, werd aan de hand van het oude plan van oktober 1947 een nieuwe poging gedaan om de CMID weer naar zijn oude staat van school terug te brengen. Men wist het plan erdoor te krijgen en er groeide dus weer een echte School Militaire Inlichtingendienst uit de CMID.

In het najaar van 1950 kwam de uitvoering van het nieuwe plan tot stand en per oktober 1950 werd de Cursus Militaire Inlichtingen (CMID) gereorganiseerd naar de Schoolcompagnie Militaire Inlichtingendienst (SchoolcieMID).

Per 1 september 1951 werd Koninklijk Besluit no. 1 van 1 oktober 1951 bekrachtigd, waarmee de school officieel was opgericht. De officiële naam luidde School Militaire Inlichtingendienst (SMID) en werd de Oranje-Nassaukazerne te Harderwijk de standplaats.


Op 8 november 2005 werd de SMID opgeheven en werd de oprichting van het Defensie Inlichtingen en Veiligheids Instituut (DIVI) een feit. Dit gebeurde tijdens een ceremonie op de Simon Stevinkazerne in Ede.

In het eerste kwartaal van 2007 verhuisde het DIVI naar ‘t Harde, waar de fysieke samenvoeging met de luchtmacht- en de marinecollega’s een feit werd. Met het oprichten van JISTARC in 2011, werd het DIVI ook als eenheid onder het JISTARC geplaatst.


101 Militaire Inlichtingen Dienst Compagnie (101 MIDCie) en 101 Militaire Inlichtingen Peloton (101 MIpel)

 

101 MIDcie was een onderdeel van de Nederlandse Koninklijke Landmacht en werd opgericht op 1 maart 1954. 101 MIDcie was sinds haar oprichting registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers (RLJ) en onder het vaandel van het Regiment gesteld. Dit werd voortgezet na de reorganisatie van 101 MIDcie tot 101 MIpel. Personeel van 101 MIDcie en 101 MIpel legde de eed of gelofte af op het vaandel van de Limburgse Jagers, tot aan de integratie van 101 MIpel in 101 MI&StStEsk (103 ISTAR bataljon).

Op 01 januari 2004 werd 101 MIpel opgenomen in 103 ISTAR Bataljon en vanaf dan werd de eed of gelofte afgelegd op de Standaard Huzaren van Boreel .

 

101 MIDcie werd onder de vleugels van 1e (NL) Legerkorps (1LK) opgericht en werd aangestuurd door de Hoofd G2 1LK te Apeldoorn. Hierdoor is er een direct historisch verband tussen 101 MIDcie en de voor-oorlogse Generale Staf, Afdeling III (GS III). In 1972 werd 101 MIDcie operationeel onder de Landmacht Militaire Inlichtingen Dienst (LAMID) gesteld, echter organisatorisch bleef 101 MIDcie onder 1LK vallen.

 

Toenmalige eerste luitenant Bor werd in 1955 de eerste commandant 101 MIDcie. In 1943 werd hij door de Duitsers gedeporteerd en in een Pools gevangenkamp te Danzig tewerkgesteld. De bevolking van dit geheel onder Duitse leiding opererende kamp, bestond uit ongeveer 10.000 Russen, vele Italianen en wat Polen. Eerste luitenant Bor heeft daar toen zijn Russisch geleerd.

Hij verbleef in dit kamp in de jaren 1943, 1944 en 1945. Op 31 maart 1945 werd het kamp door de Russen bevrijd, waarna de tocht naar huis werd aangevangen. In 1945 kwam hij, in Berlijn, in contact met de Engelsen en werd hij tolk in dienst van een Engelse commandant.

Er waren vele Russen, die vanuit het westelijke deel van de veroverde gebieden per trein naar het Oosten trokken om in de USSR te worden gedemobiliseerd. In Berlijn moest er worden overgestapt en was er een grote behoefte aan tolken Engels/Russisch. Eerste luitenant Bor was toen nog geen officieel militair, maar werd in een militair pak gehesen en kreeg de rang van sergeant met de functie tolk/vertaler Russisch/Engels. Hij had toen regelmatig contact met Russen en zijn militair Russisch werd steeds beter.

In 1945 kwam hij naar Nederland en werd daarna opnieuw officieel naar Berlijn gezonden, om hetzelfde werk te doen wat hij al die tijd al had gedaan. Nu echter officieel als sergeant in een Nederlands uniform als tolk/vertaler Russisch. Een van zijn neventaken was om te proberen zoveel mogelijk Nederlanders uit Oost-Duitsland te krijgen.

 

In 1947 ging hij op dezelfde datum dat zijn ontslag inging, het leger weer in, maar nu als toekomstig beroepsmilitair en ging eerst naar de SROI (School Reserve Officieren Infanterie) om vervolgens in 1948 naar de KMA te gaan.

In 1950 ging hij als tweede luitenant met het Nederlands Detachement van de Verenigde Naties (NDVN) als vrijwilliger naar Korea als pelotonscommandant van een ondersteuningscompagnie. Na terugkeer in 1951 werd hij geplaatst op de SMID, als leraar militair Russisch.

In 1953 ging hij opnieuw als vrijwilliger naar Korea als S2. Op 21 januari 1954 kreeg hij van de toenmalige bataljonscommandant NDVN, luitenant-kolonel Knulst, de opdracht zich in Korea de organisatie van een USA Inlichtingencompagnie eigen te maken. De Generale Staf (G2D) had begin 1954 de wens te kennen gegeven een Inlichtingendienstcompagnie op te willen richten en had behoefte aan zoveel mogelijk gegevens.


Toen kapitein Bor in oktober 1954 uit Korea terugkwam werd gevraagd naar zijn ervaringen met een Inlichtingencompagnie naar Amerikaans model. Hij kreeg de opdracht een Inlichtingendienst Compagnie voor de 1LK (G2) op te richten en deze gestalte te geven.

Op 3 januari 1955 ging de toenmalige kapitein Bor naar 't Harde om daar een vleugel van een van de gebouwen over te nemen. Hij ging naar een van de gebouwen en opende de deur van wat later het bureau van de compagniescommandant zou worden. Hiermee was 101 MIDcie geboren.

In die eerste weken van januari 1955, kwamen ook de plaatsvervanger en enig ander personeel binnen. De eerste compagnie bestond dus uit ongeveer 25 personen. Administratief en registratief viel men toen onder 101 Tankbataljon, dat zich in 't Harde bevond.

 

De eerste ondervraagoefening werd door 101 MIDcie in 1956 uitgevoerd. De vertalers fungeerden als krijgsgevangen. De ondervragers moesten uit de gespeelde krijgsgevangenen aanwijzingen tot gegevens zien te verkrijgen. Ook dienden men andere eenheden te onderwijzen in slagordekennis.

 

Na 18 maanden was de compagnie uitgegroeid tot een eenheid, en men kon stellen dat het idee dat de oprichters voor ogen had gestaan, was waargemaakt. Een echte output was er echter nog niet. Het totale bestand was uitgegroeid tot ongeveer 65 personen, waarvan er altijd enkele tientallen

elders tewerkgesteld waren. Toen kapitein Bor op 07 juli 1956 als waarnemer naar Israël vertrok, werd kapitein P. Koene de nieuwe commandant 101 MIDcie.

Kapitein Koene had aan de wieg gestaan van het op papier oprichten van de Inlichtingendienst Compagnie. Tijdens de bezetting was hij naar Engeland gegaan. Daar kreeg hij verschillende inlichtingenopleidingen en werkte hij bij de Engelse Inlichtingendienst.

Voor hij naar Nederland terugkeerde, volgde hij nog een gevechtsinlichtingen cursus in Farnham en was daarna werkzaam bij de G2 van de tweede divisie tot augustus 1948. Hierna werd hij instructeur op de School Militaire Inlichtingendienst om daarna naar de G2D (1LK) te worden overgeplaatst.

 

Op 6 februari 1959 nam majoor Arons 101 MIDcie in 't Harde over. Majoor Arons diende tijdens de Tweede Wereldoorlog als officier bij de Binnenlandse Strijdkrachten. In mei 1945 werd hij benoemd tot commandant van de Gevangenis voor Politiek Gevangenen te Haarlem en van 1946 tot 1955 was hij als inlichtingenofficier werkzaam in Indonesië.

Hij onderging op de SMID in 1956 de cursus gevechtsinlichtingen. Hierna kreeg hij o.a. nog een opleiding bij de afdeling contra-inlichtingen.

 

1LK had eind jaren ’50 behoefte aan een eenheid, die voor 1LK verkenningen in de diepte kon uitvoeren. Hiervoor werd een LAV (Lange Afstand Verkenner) peloton opgericht en in september 1960 bij 101 MIDcie ondergebracht.

Per 01 september 1961 werd bij dit peloton op verzoek van majoor Arons als commandant de eerste luitenant Wilmar Klein aangesteld. Hij had tot taak deze eenheid te vormen, te trainen en steeds in hoogste staat van paraatheid te houden. Eerste luitenant Klein was reeds toen een grootheid op zijn vakgebied. Hij had niet alleen veel ervaring opgedaan in overzeese gebieden, hij had o.a. in Indië en Korea gediend waar hij meerdere malen onderscheiden werd, maar had ook ervaring als instructeur aan de SMID, waar hij eveneens hoog in aanzien stond.

De compagnie kreeg er dus een peloton bij onder verantwoordelijkheid van de commandant 101 MIDcie. De LAV was een aparte verschijning. De waas van geheimzinnigheid, die ongewild al over 101 MIDcie lag, werd zeker door de verhalen die de ronde deden over dit peloton, nog versterkt. De standplaats werd Nunspeet, echter verhuisde de LAV mee naar de Van Haeftenkazerne in 1963, maar bleven daar slechts een jaar.

Per 1 juni 1964 werden de ruim 30 man van het LAV peloton overgeplaatst naar het Korps Commandotroepen (KCT) en geplaatst in de nieuwe 101 Waarnemings- en Verkenningscompagnie (101 Wrn- en Verkcie) die anderhalve maand later op 20 augustus 1964 werd hernoemd tot 104 Wrn- en Verkcie (KCT Korpsorder No. 326). 101 MIDcie zag ze met lede ogen vertrekken.

Het kader uit Roosendaal was ook niet echt blij met hun komst, daar het personeel van het LAV peloton heel anders was opgeleid, dan het personeel dat zij tot dan gewend waren. Later zou blijken, dat deze manier van opleiden toch grote navolging zou ondervinden.

 

101 MIDcie kende de volgende afdelingen en ploegen:

Staf- en ondersteunende afdelingen:

- Compagniesstaf, met onder andere de compagniescommandant en zijn plaatsvervanger, de compagnies-sergeant-majoor, een administrateur en een foerier,

- Redactieploeg; redactie, correctie en vermenigvuldiging van rapporten,

- Bewakingsploeg,

- Geluidsopnameploeg.

 

Talenploegen:

- Ondervragingsploeg; ondervraging van krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers in hun eigen taal,

- Vertaalploeg; vertaling van documenten met waarde voor de gevechtsinlichtingen uit een vreemde taal,

- Tolkenploeg; assistentie bij onderhandelingen van commandanten en stafofficieren met geallieerde legers en burgers van een bevriend land,

- Documentenonderzoekploeg; analyse van buitgemaakte documenten.

 

Overige operationele ploegen:

- Slagordeploeg (SLO); verschaffing van slagorde-gegevens betreffende de tegenstander,

- Technische inlichtingen en coördinatieploeg (TIC); verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. vijandelijke materieel, inclusief het verkrijgen van dat materieel,

- Luchtfoto-interpretatie ploeg (LUFI, tot ±1972). Interpretatie van luchtfoto's met betrekking tot de opstelling van vijandelijke troepen, plaats en identificatie van wapens, verdedigingswerken en statische inrichtingen,

- Terreinanalyse ploeg (TAP, vanaf ±1970). Verzamelen, verwerken en beschikbaar stellen van inlichtingen m.b.t. terrein en weer,

- Ondersteuningsploegen ten behoeve van de secties G2/S2 (inlichtingen) van 1LK, de divisies en de brigades.

 

Halverwege de jaren ’80 werd 101 MIDcie gereorganiseerd, en werden Vertalers; Ondervragers en Slagordeploeg opgenomen in het LKODOC (LegerKorps Ondervraag- en Documenten Onderzoek Centrum). Deze organisatie was overgenomen van de AICDU (Allied Interrogation and Captured Documents Unit) van de Northern Army Group (NORTHAG) van de NAVO. In het LKODOC werden alle specialisaties opgenomen, die voor het verkrijgen van inlichtingen door middel van ondervragingen nodig waren, zoals een Geluidstechnische ploeg, een Slagordeploeg, een Vertaalploeg, een Inlichtingen Rapportageploeg en Ondervraagploegen (alle in drievoud). LKODOC werd geleid door drie hoofdondervragers (kap/ritm), die ondergebracht waren in het coördinatiecentrum.

 

In 1994 werd het TERDOC (Terrein Documentatie Centrum) van de Stafstafcompagnie van 101 Genie opgenomen in 101 MIDcie. TERDOC had de beschikking over een tekenkamer, een reproductie afdeling en een donkere kamer t.b.v. foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging. Toen 101 MIDcie eind 1995 reorganiseerde naar 101 MIpel, werden de tekenafdeling en foto-ontwikkeling en -vermenigvuldiging afdeling ondergebracht bij 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten). De reproductieafdeling werd ondergebracht bij het DOCCEN van de nieuw te vormen 4e Militaire Inlichtingengroep, waarin ook TERDOC werd ondergebracht. In juli 1998 werd de 4e Militaire Inlichtingengroep opgeheven en werd de genie-verkenningsgroep ondergebracht bij de 2e Militaire Inlichtingengroep (terreinanalisten).

 

101 Militair Inlichtingen Peloton (101 MIpel) ontstond op 1 juli 1995, na de opheffing van 101 MIDcie, en werd registratief ingedeeld bij het Regiment Limburgse Jagers. 101 MIpel had als taak het leveren van specialistische inlichtingensteun aan staf en eenheden van 1 (NL) Divisie '7 December', de (NL) eenheden van 1(GE/NL) Corps en aan overige eenheden van KLu en KM. 101 MIPel werd aangestuurd door de G2 van 1 (NL) Divisie '7 December'.

 

De inlichtingensteun van 101 MIpel diende te worden geleverd in het kader van zowel de voorbereiding van oorlogsoperaties (Algemene Verdedigingstaak) alsmede crisisbeheersingsoperaties en kon worden samengevat in:

 

- Ondervraagsteun,

- Het vervaardigen van klimaat- en terreinstudies,

- Vertaal- en inlichtingensteun, waaronder genietechnische inlichtingen,

- Het verzamelen en verwerken van informatie en inlichtingen.

 

In het kader van het uitvoeren van crisisbeheersingsoperaties diende 101 MIpel een uitgezonden Nederlandse dan wel andere NAVO-eenheid of staf te kunnen versterken met specialistisch inlichtingenpersoneel. Verder diende het peloton specialistische inlichtingencapaciteit beschikbaar te stellen voor spoedeisende opdrachten.

 

101 MIPel bestond uit de volgende onderdelen:

- 1e Militaire Inlichtingengroep (1MIgp).

Deze groep was gespecialiseerd op de gebieden krijgsgevangenondervraging en gijzeling. De groep bestond uit acht tot ondervraging opgeleide officieren die tevens een of meerdere vreemde talen beheersten. Verder waren hier twee soldaten-schrijvers, tevens chauffeur MB, een chauffeur 4-tonner en een korporaal onderhoud aggregaten aan toegevoegd. De groep werd gecompleteerd met een sergeant-majoor die deskundig was op het gebied van 'technische inlichtingen', zoals wapensystemenen voertuigen. Hierdoor was het mogelijk na bestudering van buitgemaakte documenten, wapens en materieel, de slagorde van een vijandelijke eenheid vast te stellen. In vredestijd hielden de ondervragers zich bezig met het krijgsmachtbreed trainen van personeel in 'weerstand bieden tegen krijgsgevangenenondervraging' en 'omgaan met gijzeling'. Hiertoe werden lezingen gegeven en oefeningen georganiseerd. Tijdens de oefeningen werkten de ondervragers nauw samen met buitenlandse partners. In oorlogstijd zou het personeel van 1Mlgp in teams van twee personen als mobiele ondervraagploegen worden ingezet.

 

- 2e Militaire Inlichtingengroep (2MIgp).

Deze groep vergaarde inlichtingen over weer en terrein. Deze werden in de vorm van klimaat- en terreinstudies ter beschikking gesteld aan de 3 krijgsmachtdelen. Deze studies hadden eerst nog de naam BVT (Beoordeling Van Toestand) naar werden al snel omgedoopt tot KTS. (Klimaat en Terrein Studies) Zij werden verzameld uit verschillende bronnen, zoals kaarten, literatuur, (inter)nationale netwerken en verkenningen ter plaatse. Bestonden er geen kaarten dan werden er nieuwe kaarten getekend en gedrukt op basis van luchtfoto's en verkenningsfoto's. Er werd deelgenomen aan oefeningen maar ook werd men uitgezonden naar oorlogsgebieden zoals Bosnië en Kosovo ter voorbereiding op mogelijke logistieke problemen en gebruik van militair materieel. 2MIgp bestond uit vier ploegen die zelfstandig opereerden. Elke ploeg bestond uit twee officier-terreinanalisten (rang van tweede luitenant), een fotograaf/chauffeur en een tekenaar/chauffeur. De groep werd ondersteund door genie-inlichtingenpersoneel dat aanvullende geniegegevens verstrekte.

 

- 3e Militaire Inlichtingengroep (3MIgp).

Deze groep bestond uit acht officieren en onderofficieren met een inlichtingenachtergrond. Hun taak bestond uit het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Deze inlichtingen werden uit verschillende bronnen verzameld. Met deze gegevens was men in staat de commandanten van uit te zenden eenheden optimaal op hun missie voor te bereiden. Er was daartoe een Geautomatiseerd Militair Inlichtingen Systeem (GEMIS) gecreëerd, een databank waarmee de verzamelde informatie snel kon worden geordend en geleverd. O.a. landen, gebeurtenissen, organisaties, groeperingen, namen, politieke partijen, leiders en doelstellingen waren verwerkt. Verder ondersteunde 3MIgp de voor een Vredesmissie aangewezen commandanten en hun eenheden m.b.v. lezingen en briefings.

 

- 4e Militaire Inlichtingengroep (4MIgp).

Deze groep zorgde voor het vermenigvuldigen en verspreiden van samengestelde documenten en het leveren van personeel en (materiële) informatiesteun t.b.v. de overige groepen, waaronder de optionele ploegen. Verder werden (genie)technische inlichtingen verzameld en verspreid. Een belangrijk onderdeel was het geven van lessen in vreemde wapens en uniformen. Dit was van belang voor uitzendingen in het kader van vredesmissies. Voorts werd informatie verspreid over vreemd materieel d.m.v. posters, dia's, en uitreikstukken. Tenslotte werd informatie verzameld door het m.b.v. videorecorders monitoren en opslaan van televisie-uitzendingen. In juli 1998 werd 4Mlgp opgeheven. De taken en het personeel van deze groep werden over de andere groepen herverdeeld.


Tot de afschaffing van de dienstplicht in 1994 werden veel van de specialistische functies binnen 101 MIDcie vervuld door universitair opgeleide dienstplichtigen.


Gedurende de UNPROFOR missie werd onder leiding van de Amerikanen en Britten een Joint Comission Observers (JCO) eenheid opgericht die bestond uit kleine groepjes SOF.

JCO onderhield contacten met lokale autoriteiten en opereerden vanuit huizen in steden. Nederland leverde KCT personeel voor deze eenheid.

Tijdens de IFOR missie waren de Allied Counter Intelligence Unit (ACIU, voornamelijk Amerikaans personeel) en Joint Field Intelligence Unit (JFIU, voornamelijk Brits personeel) verantwoordelijk voor het verzamelen van inlichtingen. Nederland heeft hier nooit een bijdrage aan geleverd.

 

Tijdens de SFOR missie werden ACIU en JFIU samengevoegd in de Allied Military Intelligence Bataljon (AMIB). AMIB werd direct aangestuurd door C-SFOR.

Vanaf 1998 droeg Nederland bij aan AMIB en in eerste instantie alleen met CI personeel van MID. 101MIpel (1MIgp) werd ook aangewezen en bleken het erg goed te doen. De ondervragers waren in Engeland Conduct After Capture (CAC) opgeleid en spraken zowel Engels als Russisch (makkelijk overstap naar Servo-Kroatisch).

 

In 2000 werd door de Britten de Divisional Support Group (DSG) opgericht en de hoofdkwartier kwam in Banja Luka. Personeel voor DSG werd geleverd door 4 landen, nl.: Verenigde Koninkrijk, Canada, Tsjechië en Nederland. Eind 2000 verlieten de Tsjechen de DSG.

DSG bestond uit een Field Support Platoon (FSP) en een Enhanced Divisional Recce Company (EDRC). FSP bestond uit 3 Field Support Teams (FST). 1 (NL) FST zat in Bugonjo, 2 (UK) FST in Banja Luka en 3 (CA) FST in Coralici. EDRC werd gevormd uit de UK Ghurka’s en deden verkenning opdrachten door hele divisie AOR.

 

In 2002 werd de divisie kleiner en reorganiseerde de DSG naar de Brigade Support Group (BSG). Nadat de Verenigde Koninkrijk zich terugtrekt uit Bosnië, bestond  BSG alleen nog uit Canadezen en Nederlanders. In 2004 werdt de BSG omgevormd naar Task Force Support Group (TFSG).

 

Op 1 januari 2004 werd 101 MIpel opgeheven en onderverdeel binnen het 101 Militaire Inlichtingen en Stafstafeskadron (101 MI&StStEsk) van 103 ISTAR bataljon, en gelegerd op de LKol Tonnetkazerne in ’t Harde. Vanuit 1MIgp ontstond de Field Support Peloton (FSP) en vanuit 2MIgp en 3MIgp ontstond de All Source Intelligence Cell (ASIC).


103 ISTAR Bataljon en JISTARC


103 ISTAR (Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance) Bataljon was een Nederlandse militaire eenheid die deel uitmaakte van het Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL). De sterkte was circa 800 man en de eenheid was gelegerd op het Artillerie Schietkamp Oldebroek en de Tonnetkazerne in 't Harde. In 2011 is het bataljon door reorganisatie opgegaan in het Joint ISTAR Commando (JISTARC).


Na voorbereidende werkzaamheden werd op 5 juni 2003 103 ISTAR Bataljon formeel door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten opgericht. Gekozen werd om het bataljon administratief in te delen bij het Regiment Huzaren van Boreel. Hiermee zette het bataljon de tradities van het oude opgeheven 103 Verkenningsbataljon uit Seedorf voort.

Op 1 januari 2004 werd 101 MIpel opgenomen in 103 ISTAR Bataljon.

103 ISTAR Bataljon was een inlichtingenorgaan voor de gehele krijgsmacht en had als taak het verzamelen en analyseren van inlichtingen en het adviseren van operationele commandanten. Dit gebeurde door gecombineerde disciplines als verkenning en het maken van terreinanalyses, het onderscheppen en afluisteren van spraak- en datacommunicatie en het verzamelen van inlichtingen door contact met de lokale bevolking.


103 ISTAR Bataljon bestond uit de volgende eenheden:

- Staf 103 ISTAR Bataljon.

- 101 Militaire Inlichtingen en Stafstafeskadron (101 MI&StStEsk).

- 101 Remotely Piloted Vehicle Batterij (101 RPVBt).

- 101 Artillerie Ondersteuningsbatterij (101 ArtOstBt).

- 102 Elektronische Oorlogsvoeringcompagnie (102 EOVCie)

- 103 Grond Gebonden Verkenningseskadron (103 GGVEsk).

- 104 Grond Gebonden Verkenningseskadron (104 GGVEsk).


103 ISTAR Bataljon is nooit in zijn geheel uitgezonden geweest; wel zijn telkens kleine samengestelde ISTAR eenheden modulair ingezet of werd personeel op individuele basis uitgezonden. Zo heeft personeel van 103 ISTAR Bataljon van 2004-2005 deelgenomen aan de Stabilization Force Irak (SFIR) en van 2006-2010 aan de International Security Assistance Force (ISAF).


De formele opheffing van 103 ISTAR Bataljon vond plaats op 19 oktober 2011 op de legerplaats bij Oldenbroek waarbij de oprichting van het Joint ISTAR Commando ook gelijktijdig formeel werd gerealiseerd. 101 Artillerie Ondersteuningsbatterij werd hierbij opgeheven en de taken werden belegd bij het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC). 103 ISTAR Bataljon fuseerde met vergelijkbare eenheden van Luchtmacht, Marine en Marechaussee, alsmede met het Tactical Air Reconnaissance Center (TARC). 'Joint' verwijst dan ook naar de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen.


Het Joint ISTAR Commando, ook wel JISTARC genoemd (Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance Commando) is een onderdeel van de Nederlandse Landmacht dat zich tijdens militaire operaties bezighoudt met het verzamelen, analyseren en verspreiden van inlichtingen. JISTARC maakt deel uit van het Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL), maar is inzetbaar voor alle krijgsmacht onderdelen.


JISTARC heeft als taak het verzamelen en analyseren van inlichtingen en het adviseren van de operationele commandanten. Dit gebeurt door gecombineerde disciplines als verkenning en het maken van terreinanalyses, het onderscheppen en afluisteren van spraak- en datacommunicatie en het verzamelen van inlichtingen door contact met de lokale bevolking.

Het JISTARC opereert daarbij mobiel en ten behoeve van lokale commandanten in het veld, terwijl uitgezonden teams van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hun inlichtingen meer vanuit vaste locaties en met het oog op strategische en politieke besluitvorming verzamelen. Voor terreinanalyse en het onderscheppen van vijandelijke communicatie beschikt het JISTARC over onbemande vliegtuigjes.


JISTARC bestaat uit de volgende onderdelen:

- Het Stafstafeskadron houdt zich voornamelijk bezig met command, control, and communication (C3) binnen JISTARC.

- 102 Elektronische Oorlogsvoering Compagnie (102 EOV) houdt zich bezig met het onderscheppen, afluisteren, uitpeilen, analyseren en (ver)storen van radiocommunicatie en andere typen radiouitzendingen. De compagnie behoort tot het Regiment Verbindingstroepen.

- 104 JISTARC Verkennings Eskadron (104 JVE) bestaat uit een eskadronsstaf, een logistiek peloton en 5 verkenningspelotons uitgerust met de Fennek. Het Eskadron behoort tot het Regiment Huzaren van Boreel.

- 105 Field HUMINT Compagnie (105 FHC) houdt zich bezig met het verzamelen van informatie uit gesprekken met personen en het ondervragen van gevangenen. Op 19 oktober 2011 werd 105 FHE opgericht uit de Field Support Peloton (FSP) die totdan onderdeel was van 101 MI&StStEsk (103 ISTAR Bataljon). FSP kwam voort uit 1MIgp van 101 MIpel.

Bij het oprichten van 105 FHE, werd 105 FHE ondergebracht onder het Regiment Huzaren van Boreel. Op 20 februari 2020 werd 105 FHE gereorganiseerd naar 105 FHC en vanaf november 2020 behoort 105 FHC tot het Korps Inlichtingen en Veiligheid.

- 106 Inlichtingen Compagnie (106 InlnCie), voorheen “All Source Intelligence Cell (ASIC)” genoemd, bestaat uit een compagniestaf, Inlichtingen Peloton (InlPel), Inlichtingen Support Peloton (InlSptPel) en een Geo Support Peloton (GeoSptPel). Het analyse/productieproces wordt aangestuurd door bureau Plans/Production. Binnen het InlPel zijn militaire analisten (MA), human terrain analisten (HTA) en geo spacial analisten (GSA) werkzaam. 106 InlnCie komt voort uit 2MIgp en 3MIgp van 101 MIpel en vanaf november 2020 behoort 106 InlnCie tot het Korps Inlichtingen en Veiligheid.

- 107 Aerial Systems Batterij (ASBt) is ontstaan uit 101 RPVBt en het TARC. Het landmachtdeel van de eenheid behoort tot het Korps Veldartillerie.

- 108 Technical Exploitation Intelligence Compagnie (TeXIntCie) werd opgericht op 20 februari 2020. 108 TeXInt is gespecialiseerd in forensische methoden en behoort tot het Korps Inlichtingen en Veiligheid.

- 109 Open Sources Intelligence Compagnie (OSINTCie) werd opgericht op 20 februari 2020. 109 OSINTCie is gespecialiseerd om doelmatig relevante openbare informatie in een inzetgebied te kunnen detecteren en verzamelen en behoort tot het Korps Inlichtingen en Veiligheid.


De inlichtingen die JISTARC vergaart kunnen worden onderverdeeld in operationele inlichtingen en tactische inlichtingen:

- Operationele inlichtingen zijn inlichtingen die de Chef Defensiestaf (CDS) en Directie Operatiën (DOPS) ondersteunen op het gebied van operationele inlichtingen.

- Tactische inlichtingen zijn inlichtingen die een legeronderdeel nodig heeft om taken in een crisisgebied uit te voeren, bijvoorbeeld inlichtingen over de toestand van wegen en bruggen.


Met ingang van 20 november 2020 is JISTARC onderdeel van het Korps Inlichtingen & Veiligheid 'Prinses Alexia', van het Wapen der Informatiemanoeuvre hoewel een aantal onderdelen behoren tot andere Wapens.


International Security Assistance Force (ISAF), Task Force Uruzgan (TFU/ISAF) en Police Training Group Kunduz (PTG)



Antipiraterij missies Operation Ocean Shield (OOS/NATO) en ATALANTA (EU), Golf van Aden en Hoorn van Afrika


Operation Ocean Shield (juni 2012-oktober 2012)


Medio 2012 vaart Zn. Ms. Rotterdam uit richting de Golf van Aden om deel te nemen aan de NATO geleide anti-piraterij missie Operation Ocean Shield (OOS). Zn. Ms. Rotterdam was robuust uitgerust voor deze missie. Aan boord bevindt zich een detachement van het 1e Bootcompagnie van het Korps Mariniers, bestaande uit 2 Landing Craft Utility Mk II (LCU), 2 Landing Craft Vehicle Personnel (LCVP) en 2 Fast Raiding Interceptor and Special Forces Craft (FRISC), een detachement van het Defensie Helikopter Commando, bestaande uit 2 Cougar-helikopters, Task Force Barracuda (TF Barracuda) en een JISTARC inlichtingen module. Zn. Ms. Rotterdam had ook 3 Rigid Hull Inflatable Boats (RHIB) aan boord.

 

Bijzonder is het inlichtingeneenheid (ISR module) aan boord welke geleverd werd door JISTARC, wat zich voornamelijk bezig houdt met het verzamelen en analyseren van informatie. In de ISR module is o.a. een Scan Eagle detachement aanwezig.

 

Bij de operaties dicht onder de kust kwam het enkele keren tot confrontaties. Op 13 augustus 2012 hielp Zn. Ms. Rotterdam bij de onderschepping van een gekaapte dhow, door met landingsvaartuigen en FRISC’s een blocking position voor de kust in te nemen om te verhinderen dat het piratenvaartuig vanaf land hulp kon krijgen. Na waarschuwingsschoten van het scherpschuttersteam aan boord van Zn. Ms. Rotterdam gooiden de piraten hun wapens overboord en gaven zich over, waarna het boardingteam de Pakistaanse bemanning in veiligheid bracht. Ruim een maand later was het wederom raak, toen twee FRISC’s tijdens een patrouille voor de kust bij het piratenkamp Bandar Murcaayo werden beschoten.

Op 10 oktober 2012 dwongen de Nederlanders een skiff tot stoppen die eerder op de dag een mislukte poging had ondernomen een Spaans vissersschip te kapen. 6 verdachten werden opgepakt.

Op 24 oktober 2012 wordt tijdens een approach de 3 RHIB’s onder vuur genomen en ontstaat een vuurgevecht. In het vuurgevecht dat volgde vloog de dhow in brand.

 

Met de aanhouding van in totaal 19 vermoedelijke piraten en het opbreken van 3 Pirate Action Groups (PAG) kon TF Barracuda terugkijken op een geslaagde missie.


United Nations Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA)


Personeel voor de ISR-Coy werd geleverd door JISTARC.


Korps Inlichtingen & Veiligheid (I&V) 'Prinses Alexia'


Het Korps I&V 'Prinses Alexia' is een korps binnen de Koninklijke Landmacht dat is gespecialiseerd in de vergaring en verwerking van inlichtingen. Het korps vormt samen met het Korps Communicatie & Engagement (C&E) 'Prinses Ariane' het Wapen der Informatiemanoeuvre en werd opgericht op 20 november 2020 bij koninklijk besluit.


De geschiedenis van het Korps I&V gaat terug tot 1954, naar de oprichting van 101 Militaire Inlichtingen Dienst Compagnie (101 MIDcie). Deze eenheid is de directe voorloper waarvan het Korps nu de traditie voortzet. Het korps bestaat uit personeel van de volgende eenheden:


- Joint ISTAR Commando (JISTARC Commando Staf (incl. Joint Kennis Centrum I&V), 105 FHCie, 106 INLNCie, 108 TEXINTCie en 109 OSINTCie),
- Defensie Inlichtingen- en Veiligheidsinstituut (DIVI),
- Dienst Geografie (DGEO),
- Overig landmachtpersoneel dat werkzaam is binnen de inlichtingen- en veiligheidsketen.


Het embleem van het Korps I&V bestaat uit drie primaire elementen: de geheven toorts, de pijl en het credo van het korps: ¨In Tenebris Lucens¨. Dit embleem wordt als Wapenonderscheidingsteken gedragen op de baret en de kraagspiegels. De drie elementen van dit embleem hebben allen een specifieke historische en symbolische betekenis. Samen staan deze symbolen voor gericht inzicht, waarschuwing en bescherming. De basiselementen van de functionaliteit Inlichtingen & Veiligheid.


Om de veiligheidsrol van het Korps I&V te benadrukken is ervoor gekozen om samen met de geheven toorts een pijl terug te laten komen in het embleem van het Korps. De pijl staat symbool voor focus, bescherming, verdediging en kracht.


De kleuren van het Korps I&V zijn een combinatie van jagersgroen en informatiemanoeuvre-grijs. Deze kleuren komen terug op de ondergrond van het baretembleem en de
kraagspiegels.

Er is gekozen voor Jagersgroen als een van de korpskleuren om te verwijzen naar de historische en functionele verbondenheid die bestaat tussen de Inlichtingen & Veiligheid en Jagereenheden. Binnen de Koninklijke Landmacht viel 101 MIDcie, en later 101 MIpel, onder het Regiment Limburgse Jagers. Personeel van 101 MIDcie en 101 MIpel legden tot aan de integratie in het 101 MI&STSESK van het 103 ISTAR Bataljon hun eed af op het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers. Het groen in de kleuren van het Korps
I&V verwijst dus ook terug naar deze tijd van de Nederlandse landmacht-inlichtingen.

De tweede kleur van het Korps I&V, grijs, staat symbool voor het opereren op de achtergrond en in de schaduw. Daarnaast is het de verbindende kleur van het Wapen van de
Informatiemanoeuvre. Grijs is een neutrale kleur die niet zo snel opvalt. Het vertegenwoordigt objectieve redenatie, professionaliteit en pragmatisme. Dit zijn eigenschappen die
nodig zijn om inlichtingen- en veiligheidswerk effectief uit te kunnen voeren. Het grijs komt ook terug in de uniformen van de voorgenoemde Jagereenheden, die vaak deels groen en deels grijs waren. De militaire ordonnansen, die een essentiële schakel vormden in de vergaring en voorziening van informatie voor de bevelhebber van een legermacht, voerden hun taken uit in een onopvallend grijs uniform.


Militaire Inlichtingen Dienst (MID) en de Militaire Inlichtingen en Veiligheids Dienst (MIVD)


In 1986 startte een centralisatieoperatie die tot doel had om de inlichtingendiensten van de drie krijgmachtdelen samen te voegen, waardoor ze efficiënter zouden kunnen werken en hoogwaardiger inlichtingen zouden afleveren. Het resultaat was een fusie van de afzonderlijke diensten tot de Militaire Inlichtingendienst (MID).

De nieuwe MID was initieel vooral een koepel boven de MARID, LAMID en LUID die van naam veranderden en MID/KM, MID/KL en MID/KLu werden genoemd. Ook werden daarnaast twee gezamenlijke afdelingen opgericht, de Afdeling Inlichtingen (AI) en de Afdeling Contra Inlichtingen en Veiligheid (ACIV) die grotendeels gevuld werden met personeel uit de drie diensten van de krijgsmachtdelen.

De met de uitvoering van de contra-inlichtingen (CI) activiteiten belaste eenheden (de bureaus Cl-Operatiën en de Cl-detachementen) werden (vooralsnog) niet ingebed in de centrale organisatie, maar bleven per krijgsmachtdeel (MID/KM, MID/KL en MID/KLu) georganiseerd.

Medio 1996 werden de functies van Hoofd S2 en Hoofd LAMID/LUID/MARID losgekoppeld, en kwamen de bij de krijgsmachtdelen ingedeelde MID afdelingen onder de eenhoofdige leiding van het Hoofd MID (H-MID).


De MID was een 'Bijzondere Organisatie Eenheid' (BOE) van het Ministerie van Defensie en maakte tot 1993 administratief onderdeel uit van de Defensiestaf. Vanaf 1993 viel de MID rechtstreeks onder de Secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en was verantwoordelijkheid verschuldigd aan de Minister van Defensie.

De leiding van de MID was in handen van H-MID die werd bijgestaan door een plaatsvervangend hoofd. Vanaf 1 augustust 1999 werd het hoofd MID “directeur MID” (D-MID) genoemd. Deze werd bijgestaan door een Chef Staf, tevens plaatsvervangend Directeur MID.


De MID kende de volgende afdelingen:

- De Afdeling Inlichtingen (AI) en de Bureaus Inlichtingen (BI) van de MID afdelingen van de krijgsmachtdelen (MID/KL, MID/KM en MID/KLu),

- De Afdeling Contra-Inlichtingen en Veiligheid (ACIV) en de Bureaus Veiligheid (BV) van de MID afdelingen van de krijgsmachtdelen (MID/KL, MID/KM en MID/KLu),

- De Afdeling Operaties (AO), die was ontstaan uit samenvoeging van de Cl-elementen van voornamelijk de voormalige LAMID en LUID. Na de opheffing van de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) per l januari 1994 is de afdeling een eigen bijdrage gaan leveren aan het dichten van het door de IDB achtergelaten 'gat'. Vanaf medio 1996 was de taakstelling van het bureau “het uitvoeren van HUMINT operaties op het gebied van contra-inlichtingen en inlichtingen”.

- De Afdeling Verbindingsinlichtingen (AVI). Deze afdeling ontstond medio 1996 uit samenvoeging van het Technisch Informatieverwerkings Centrum (TIVC) van de marine en de tactische peil- en interceptie-eenheden van de landmacht en luchtmacht, respectievelijk 898 Verbindingsbataljon en delen van de 1e Luchtmacht Verbindingsgroep (1 LVG). Na de samenvoeging bestond de afdeling uit een staf in Den Haag, het Strategisch Verbindingsinlichtingen Centrum (SVIC) te Amsterdam en het Operationeel Verbindingsinlichtingencentrum (OVIC) te Eibergen.


Met de invoering van Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) in 2002 werd de MID gereorganiseerd tot de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). De MIVD valt rechtstreeks onder de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Defensie.


In 2003 en daarna heeft de MIVD het vooral druk gehad met crisisbeheersingsoperaties, zoals die op de Balkan en in Afghanistan, Irak en Liberia. Zo zijn in 2003 inlichtingenteams en contra-inlichtingen en veiligheidsteams uitgezonden naar Bosnië, Afghanistan en Irak. Vervolgens werden ook de Nederlandse militaire missies in de Afgaanse provincies Uruzgan (2006-2010) en Kunduz (2011-2013) door de MIVD ondersteund.


De inlichtingen die de MIVD vergaart kunnen worden onderverdeeld in strategische inlichtingen en operationele inlichtingen:

- Strategische inlichtingen zijn inlichtingen die de regering of de legerleiding nodig heeft om beleid te kunnen maken, bijvoorbeeld, inlichtingen over proliferatie van kernwapens.

- Operationele inlichtingen zijn inlichtingen die de Chef Defensiestaf (CDS) en Directie Operatiën (DOPS) ondersteunen op het gebied van operationele inlichtingen.


Ook terrorismebestrijding vraagt veel aandacht van de MIVD, die zich daarbij vooral richt op de defensiebelangen. Daarnaast verzamelt de MIVD inlichtingen op het gebied van proliferatie van nucleaire, biologische en chemische wapens.

De beveiliging van de eigen krijgsmacht vormt een belangrijke taak van de MIVD, die bijvoorbeeld toestemming moet geven voor het maken of publiceren van luchtfoto's.

Daarnaast voert de MIVD veiligheidsonderzoeken uit naar mensen die een vertrouwensfunctie bekleden bij het Ministerie van Defensie, de krijgsmacht of zogeheten vitale defensietoeleverbedrijven.


Van Dongen model.



Land Information Manoeuvre Centre (LIMC


Het Land Information Manoeuvre Center (LIMC) werd opgericht in 2020 en houdt zich bezig met militaire inlichtingen-analyses.


1e aanmaak, 2020.

Dutchhelmets gebruikt cookies van derde partijen om bij te houden hoe u onze website gebruikt. Dit helpt om beter te begrijpen hoe bezoekers onze site kunnen vinden en gebruiken en stelt Dutchhelmets in staat om de site te verbeteren en om betere campagnes op te zetten. Dutchhelmets uses third party cookies to track how you use the website. This helps us better understand how visitors can find and use our site and allows us to run better campaigns.

Accept