page contents
Dutchhelmets.nl
Collaboratie

Voordat u verder gaat, wees u ervan bewust dat op deze pagina afbeeldingen staan waarop zaken zijn afgebeeld die aanstootgevend en zeer kwetsend zijn. Ondanks dit, heeft Dutchhelmets.nl ervoor gekozen om deze zaken te publiceren met als doel om geïnteresseerden te informeren over collaboratie in Nederland tijdens de Duitse bezetting.

Dutchhelmets.nl heeft geen politieke motieven en is geheel toegewijd aan onderzoek en verzamelen van Nederlandse militaria.


I.v.m. privacy zijn deze stukken niet te herleiden naar de oorspronkelijke eigenaren dan wel nabestaanden van collaborateurs.



Collaboratie in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog


Collaboratie betekent samenwerking met de vijand en is afgeleid van het Franse werkwoord collaborer dat samenwerken betekent.

De specifieke negatieve betekenis kreeg het woord tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland bezet werd door Duitsland. Met collaborateur werden Nederlanders aangeduid die met de Duitse bezetter vrijwillig samenwerkten. Vrouwen die een verhouding met een Duitse militair hadden werden moffenhoer of moffenmeid genoemd en niet zozeer als collaborateur aangemerkt. Vrijwel elk individu heeft tijdens de bezettingsjaren de keuze moeten maken: gehoorzamen aan de Duitse bezetter, collaboreren met de Duitse bezetter (vrijwillig meewerken/meehelpen) of tegen de Duitse bezetter en collaborateurs verzetten.


Collaboratie heeft in Nederland verschillende vormen gekend en was vooral in het begin van de oorlog wijdverbreid. Voor het uitbreken van de oorlog kende Nederland al de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) die na de Duitse inval politiek met Duitsland ging samenwerken. Andere politieke organisaties van collaborateurs waren het Zwart Front en de Nederlandsche Unie. Daarnaast bestond er grootschalige economische collaboratie. In 1940 werd het Nationaal Comité voor Economische Samenwerking opgericht.


Hoewel samenwerking met de vijand strafbaar was, werd in 1937 in een geheime instructie bepaald dat ambtenaren waren gehouden om mee te werken aan maatregelen van een bezettende macht. Het Nederlandse ambtenarenapparaat werkte tijdens de Duitse bezetting dan ook mee met de Duitsers. De secretarissen-generaal bleven aan, ook na het gedwongen ontslag van generaal Winkelman, die de Duitsers te oncoöperatief vonden. Dat gold ook voor de overheidsbedrijven zoals de Nederlandse Spoorwegen (NS) en de gemeentelijke bedrijven zoals het plaatselijk openbaar vervoer.

Hendrikus Colijn bracht na de Duitse inval een brochure uit getiteld "Op de grens van twee werelden" waarin hij de vlucht van het Nederlandse koningshuis naar Engeland veroordeelde en onomwonden koos voor samenwerking met de nazi's. Colijn stelde in zijn brochure dat de democratie had gefaald, dat de leden van het Nederlandse koningshuis nooit meer een voet op Nederlandse bodem zouden zetten en dat de Nederlandse bevolking zich niet moest verzetten maar zich moest schikken naar de wil van de nieuwe machthebbers. Omdat Colijn sinds 1920 politiek leider en partijvoorzitter van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) was en voor de oorlog minister-president in vijf kabinetten geweest was, legde zijn oordeel voor conservatieve en gezagsgetrouwe Nederlandse protestanten veel gewicht in de schaal. Bovendien was zijn invloed binnen de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (NCRV) groot. Het aan de ARP gelieerde dagblad De Standaard probeerde zich neutraal tegenover de bezetter op te stellen. De publicatie van Colijns brochure "Op de grens van twee werelden" moet Arthur Seyss-Inquart als een geschenk uit de hemel ervaren hebben.

De Nederlandse luitenant-generaal Hendrik Seyffardt deed in 1941 een dringend beroep op Nederlandse jongemannen om zich aan te sluiten bij het Vrijwilligers Legioen Nederland om aan het oostfront tegen "het oprukkende bolsjewisme" te strijden. Seyffardt deed zijn eerste oproep toen Hitlers troepen nog maar net aan de uitvoering van Operatie Barbarossa waren begonnen. Op dat moment rukten de nazi's snel op richting Moskou en Leningrad terwijl de "bolsjewieken" zich, deels om tactische redenen, halsoverkop terugtrokken.

De Nederlandse bevolking werd door secretaris-generaal Frederiks, de bedenker van het Plan-Frederiks, vanaf het eerste oorlogsjaar opgeroepen gul te geven aan de collectanten van Winterhulp Nederland. Winterhulp Nederland hield in het laatste oorlogsjaar, het jaar voor de hongerwinter, inzamelingsacties voor de Nederlandse SS'ers die als vrijwilliger aan het oostfront tegen de Sovjets vochten. Aan het eind van dat jaar werden in de Nederlandse steden de grootste razzia's voor de Arbeitseinsatz gehouden, maar Winterhulp Nederland hield geen inzamelingsacties voor de hongerende Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland.


Grote delen van het Nederlandse bedrijfsleven voerden orders uit voor Duitse organisaties. Bedrijven als Philips en DAF, maar ook de centrale werkplaats van de PTT hebben voor de Duitsers gewerkt. Vrijwel alle bedrijven in de Rotterdamse havens (evenals die in de andere havens) gingen voor de Duitsers werken. Ook defensiebedrijven als Fokker, de Rijks Artillerie Inrichtingen en de werf De Schelde deden mee. Opmerkelijk is dat zelfs bedrijven van Joodse eigenaren zoals Van Leers Vatenindustrie en de regenjassenfabriek Hollandia Kattenburg Duitse orders aanvaardden.

Men moet hierbij wel denken dat er negatieve consequenties van Duitsers dreigden, als deze Nederlandse bedrijven collaboratie zouden weigeren. De Duitsers hadden altijd de mogelijkheid kopstukken te vervangen door NSB'ers, hoewel ze, gezien het beperkte aanbod aan geschikte kandidaten dat de NSB bood, dat zelf ook liever niet deden. Om het bedrijf en personeel zoveel mogelijk te beschermen en er toch het beste van te maken, werd dan vaak besloten toch dergelijke orders te aanvaarden. Eigenbelang en winstbejag zal hier ook niet vreemd aan zijn geweest: men wilde de eigen positie behouden en zag mogelijkheden voor een concurrentievoorsprong ten opzichte van Belgische en Franse concurrenten, daar half mei 1940 Nederland zich al had overgegeven maar de oorlog in België en Frankrijk nog in volle gang was.

De Duitse autoriteiten hebben in de naoorlogse processen verklaard, dat dwang en zelfs drang niet nodig waren: de Nederlandse bedrijven waren gretig op orders voor de Duitse oorlogsindustrie. Op 4 juni 1940 werd het "Protokol-Von Schrötter" gesloten, waarbij scheepswerven, machinefabrieken enz. zich lieten inschakelen als toeleveranciers van de overbezette Duitse industrie.

Gekoppeld aan de collaboratie was vaak sabotage. Deze kwam echter pas geleidelijk op gang, en kreeg pas omvangrijker vormen na de Februaristaking, toen de terroristische politiek van de nazi's duidelijk was geworden. Bij de Philipsfabriek van zenders in Hilversum, bekend als de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF), leidde dat er bijvoorbeeld toe, dat onderdelen van machines of apparaten verdwenen waardoor deze niet meer functioneerden. Bij de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM) was een onderzeeër in aanbouw, die tijdens de oorlog werd afgebouwd, maar bij zijn tewaterlating meteen zonk. Dr. L. de Jong verklaart deze omvang van de collaboratie deels uit de verrassende inval van de Duitsers, het ontbreken van een duidelijke afwijzende stellingname van de regering, en aan de aanvankelijk voorzichtige manier waarop de Duitsers met Nederlanders omgingen.


Op individueel niveau hebben zich tal van vormen van collaboratie voorgedaan. Van vrijwillig gaan werken in Duitsland (in tegenstelling tot gedwongen tewerkstelling), of collaboratie in een overheidsdienstbetrekking, tot personen die zich geheel vrijwillig bij de Duitsers hebben aangemeld als handlanger, bijvoorbeeld voor Jodenvervolging. Daarnaast zijn circa 20.000 Nederlanders toegetreden tot de Waffen-SS. Ongeveer 100.000 Nederlanders hebben meegewerkt aan de grote vliegveldaanleg die de Duitsers hier opzetten, en aan de vele honderden bunkers en andere versterkingen voor de Atlantik Wall. Ook hebben vele duizenden Nederlanders als chauffeur dienst genomen in het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps (NSKK). De Duitsers betaalden hun werknemers in Nederland over het algemeen beter dan Nederlandse bedrijven dat deden.


Typerend voor de Nederlandse houding kan zijn een foto van een Duitse radioploeg van de Wehrmacht, die op 16 mei 1940 midden in Hilversum beleefd de weg vraagt naar de Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO) studio, en ook keurig de weg gewezen wordt - geen van de omstanders had kennelijk enig bezwaar tegen deze vorm van 'hulp aan de vijand', of misschien zelfs enig besef dat het dit was. Het Polygoonjournaal en sommige omroepen collaboreerden overigens volop, vooral de AVRO, die zonder dat het werd gevraagd, zijn Joods personeel ontsloeg, zoals Han Hollander. Een paar andere omroepen, onder wie de NCRV, weigerden mee te werken met de Duitse bezetter.

In mei 1940 waren in Nederland ca. 1,2 miljoen radiotoestellen en 350.000 aansluitingen op het netwerk van de draadomroep. Voormalig marineofficier en voormalig NSF-medewerker, ir. Antoine Dubois, kreeg in het najaar van 1940 van een medewerker van de Rundfunkbetreuungsstelle de opdracht om een plan te schrijven voor de reorganisatie van omroepen. De Duitsers wilden de bestaande omroepen opheffen en hun activiteiten onderbrengen in een nieuwe omroeporganisatie.

Aanvankelijk dachten Dubois en de bestuurders van de omroepverenigingen dat ze over de samenstelling en de taken de nieuwe omroeporganisatie konden meebeslissen, maar dat bleek niet het geval te zijn. Zo probeerde Willem Vogt bij de Rundfunkbetreuungsstelle een wit voetje te halen door de joodse AVRO-medewerkers de deur te wijzen. Het bestuur van de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA) probeerde, tegen het advies van Koos Vorrink en Willem Drees, nog met Meinoud Rost van Tonningen te onderhandelen. Het plan voor de nieuwe omroeporganisatie werd door Dubois uitgewerkt en in december 1940 aan de omroepen gepresenteerd. Op 9 maart 1941 ging de nieuwe omroeporganisatie van start onder als Rijksradio Omroep. De bestaande omroepen konden hun programmablad nog een tijdje uitbrengen maar alle zendtijd werd hen ontnomen.

Dubois was beslist geen aanhanger of bewonderaar van de NSB of het nationaalsocialisme. De door de Rundfunkbetreuungsstelle gelijkgeschakelde Rijksradio Omroep werd vanaf mei 1941 door de NSB-gemachtigde Willem Herweijer geleid en tot Nederlandsche Omroep (NO) omgedoopt. De NO viel onder de verantwoordelijkheid van de fanatieke nazi Willem van der Vegte, de nieuwe voorzitter van de Radioraad, die tevens adviseur was van de autoritaire secretaris-generaal Tobie Goedewaagen van het nieuwe Departement van Volksvoorlichting en Kunsten.


Na de Tweede Wereldoorlog begon een grootschalige zuivering, maar tot teleurstelling van veel oud-verzetsstrijders werden voornamelijk relatief kleine overtredingen hard aangepakt. De directies van collaborerende bedrijven gingen over het algemeen vrijuit, evenals bijvoorbeeld het merendeel van de top van het Nederlandse ambtenarenapparaat.

In totaal zijn 6806 Nederlanders veroordeeld omdat zij in dienst waren getreden bij de Duitse krijgsmacht. Daarnaast zijn 3283 personen veroordeeld ter zake van hulpverlening aan de vijand, en 1344 personen wegens verraad. Er werden in totaal 163 doodvonnissen uitgesproken.


Bron: o.a. Wikipedia


De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB)


De Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) was een Nederlandse politieke partij die van 1931 tot 1945 heeft bestaan. De NSB huldigde de ideologie van het nationaalsocialisme, presenteerde zich vanuit een antidemocratische gezindheid zelf niet als partij maar als een beweging en fungeerde ten tijde van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog als collaboratiepartij.


De NSB had de juridische vorm van een stichting, in plaats van de voor politieke partijen gangbare verenigingsvorm. Op 14 december 1931 was de NSB weliswaar voor de eerste keer officieus naar buiten getreden met een zogeheten oprichtingsvergadering in Utrecht, maar daaraan lag geen officiële handeling (wettelijke registratie) ten grondslag. Deze oprichtingsvergadering in 1931 was georganiseerd door de toekomstige leider Anton Mussert en Cees van Geelkerken. De NSB werd pas officieel in het leven geroepen op 4 november 1932, toen Mussert bij notariële akte de stichting Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland in het leven riep.


Aan het begin van het bestaan van de NSB konden Joden lid worden. Het aantal Joodse leden van de beweging is altijd marginaal geweest. In 1933 werd het aantal Joodse leden geschat op enkele tientallen en in 1935 schatte Van Geelkerken het aantal Joodse leden op ongeveer 150. In oktober 1938 werd alle Joodse aanwezigheid en activiteiten in de NSB verboden. Op het hoogtepunt van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog genoten in Doetinchem enkele Joodse voormalige NSB'ers, tijdelijk, een voorkeursbehandeling gedurende hun internering.


Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, bepleitte de NSB voor Nederland strikte neutraliteit. Haar sympathie stond geheel aan de Duitse kant: zij verwachtte als resultaat van de oorlog een 'nieuw Europa' op nationaalsocialistische grondslag onder Duitse hegemonie. Nederland zou daarin nog slechts een plaats kunnen vinden als het Mussert en de NSB aan de macht bracht. Tijdens de meidagen van 1940 werden ongeveer 10.000 NSB'ers gevangengezet. Hun bevrijding door de Duitsers versterkte hun neiging om met de bezetters samen te werken. Op de hagenspraak van 22 juni 1940 te Lunteren schaarde Mussert zich volledig aan de Duitse kant: voor hem en zijn aanhang was de oorlog met Duitsland afgelopen en had het Oranjehuis de troon verspeeld. In 1941 werden in Nederland alle politieke partijen verboden, behalve de NSB.

Enerzijds leidden de Duitse successen tot een toevloed van nieuwe leden waardoor het ledenaantal van de NSB meer dan verdrievoudigde. In juni 1940 leek de oorlog in het voordeel van Duitsland beslist en veel mensen hoopten nog vlug op de Duitse trein te springen; oudgedienden keken neer op deze nieuwkomers die ze van opportunisme beschuldigden. Anderzijds raakte de NSB, vooral na het openlijk partij kiezen voor de Duitsers die Nederland hadden bezet en bovendien Rotterdam hadden gebombardeerd, nog verder vervreemd van de rest van de samenleving. Het alternatief voor de meeste mensen was de Nederlandsche Unie, tot dat deze in 1941 werd verboden. Ook werd niet iedereen met pro-Duitse sympathieën per se lid van de NSB, bijvoorbeeld omdat ze de beweging niet daadkrachtig genoeg vonden of Mussert geen overtuigend leider. Een deel van de oude garde was bovendien al voor de Duitse invasie opgestapt, voor anderen was het openlijk partij kiezen voor de bezetter de druppel. Mede door deze vervreemding vormde de NSB geen serieuze partner voor de Duitsers.


De NSB werkte openlijk samen met de bezetters en pleitte onder meer, vergeefs, bij de Duitse bezetter voor een samenvoeging van Nederland, Vlaanderen en Frans-Vlaanderen tot een Groot-Nederland binnen een Europese of Germaanse statenbond, die natuurlijkerwijs onder hegemonie van het Duitse Rijk zou staan. Mussert en de zijnen kregen steeds meer invloed in de lagere overheid, vele burgemeesters waren NSB'ers, maar zij kregen geen echte regeringsbevoegdheden. In werkelijkheid deelde Seyss-Inquart de lakens uit en werd Mussert door Hitler en andere nazi-kopstukken nauwelijks serieus genomen. De NSB bezat te weinig aanhang onder de bevolking en bood te weinig bestuurlijk talent. Verder werd Mussert als persoon niet serieus genomen; men vond hem geen indrukwekkende leider en ook zijn incestueuze huwelijk met zijn tante en zijn buitenechtelijke affaires waren onderwerp van spot en kritiek. Seyss-Inquart koos voor samenwerking met het Nederlandse establishment: kopstukken in het bedrijfsleven en de secretarissen-generaal.

Musserts politieke doel, de staatsmacht voor de NSB in een met Vlaanderen verenigd onafhankelijk Nederland als lid van een Germaanse of Europese statenbond, werd niet bereikt al bepleitte hij zijn zaak hardnekkig bij Hitler. Op steun van het Nederlandse volk kon hij zich bij de Duitsers niet beroepen; integendeel, de NSB werd algemeen gehaat. Bovendien werd zijn streven tegengewerkt door het op verduitsing gerichte Groot-Germaanse annexatiestreven van de SS, dat ook binnen de NSB steun vond bij Rost van Tonningen, alsmede bij de in september 1940 opgerichte Nederlandsche SS onder leiding van Henk Feldmeijer. Wel werd de NSB in december 1941 de enige toegelaten partij en kreeg Mussert een jaar later de (ere)titel 'Leider van het Nederlandse volk', maar werkelijke macht bracht dit niet met zich mee. Na mei 1943 kreeg de SS-richting onder de bezetters geheel de overhand en was de kans op een gematigder NSB-regering verkeken. Rost van Tonningen, Mussert en Van Geelkerken werden door de Duitsers tegen elkaar uitgespeeld, wat leidde tot het radicaliseren van de laatste twee.


De feitelijke rol van de NSB tijdens de bezetting was slechts die van hulptroep van de Duitsers. Veel NSB'ers aanvaardden gretig lagere en middelhoge bestuursfuncties zoals burgemeesters, commissarissen, enz. Duizenden NSB'ers namen dienst bij de Nederlandse Waffen-SS. Vanaf de zomer van 1943 waren veel mannelijke leden georganiseerd in de Landwacht, een paramilitaire zelfverdedigingsorganisatie, die de bezetters hielp de bevolking te 'beheersen', wat zich uitte in terreuracties tegen burgers.

Hoewel de NSB als organisatie niet heel nadrukkelijk werd ingezet door de Duitsers bij het uitvoeren van het deportatiebeleid, bevonden zich onder de leden van de NSB fanatieke antisemieten die zich bereid toonden hand-en-spandiensten te verrichten bij het oppakken van ondergedoken Joden


Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) pakten veel (kader)leden van de NSB hun biezen en vluchtten naar Duitsland, met name niet-gewapende mannen, vrouwen en kinderen, hoewel Mussert het deze mannen verboden had. Mussert zelf verliet overigens Den Haag om enige tijd in de Bellinckhof in Almelo te verblijven. Deze overhaaste vlucht bezorgde de NSB veel negatieve publiciteit en bracht haar geloofwaardigheid de genadeklap toe.


Mussert installeerde daarom op 2 oktober 1944 een tijdelijke bijzondere rechtbank. De drie rechters kregen de opdracht om te onderzoeken en te beoordelen welke leden der Beweging, die op 1 september jl. (1944) belangrijke vertrouwensposten innamen, zich in de maand september in positieve of negatieve zin hebben onderscheiden.

De Districtcommandeur van de Landwacht voor Overijssel, F.L. Rambonnet, werd benoemd tot leider van opsporing en vooronderzoek. Veel landelijke dagbladen namen het bericht uit Volk en Vaderland over, dat Mussert tien vooraanstaande NSB'ers, in afwachting van de beoordeling van hun gedragingen in September jl., had geschorst. De lijst bevatte allemaal bekende namen. Hen was het verboden het NSB-uniform met uitmonsteringsstukken te dragen en namens de NSB op te treden. Later zouden nog twaalf leden geschorst en vervolgd worden. Daarnaast werd één beklaagde, NSB-penningmeester F.W. van Bilderbeek, als gevolg van de tirade van Rambonnet tijdens de zitting, door een lid van Musserts lijfwacht, die kort daarvoor als getuige tijdens de zitting gehoord was, doodgeschoten.


In de chaos traden overigens nog steeds enkele nieuwe leden toe, die onder meer lege plaatsen bij politie en gemeenten wensten te bezetten en geloofden in een uiteindelijk keren van de krijgskansen door een compromisvrede met Engeland en de Verenigde Staten, om daarna gezamenlijk tegen de Sovjet-Unie te vechten. Het in Nederland achtergebleven deel van de NSB viel echter verder uiteen door onderlinge onenigheid en begin 1945 werden zelfs Rost van Tonningen en Van Geelkerken nog door Mussert geroyeerd. De rol van de NSB was totaal uitgespeeld en Mussert bracht de laatste weken van de oorlog zonder directe bestuurstaken door in Den Haag.


Zodra een deel van Nederland bevrijd was, werden NSB'ers en anderen, verdacht van 'hulpverlening aan de vijand', gearresteerd door het Militair Gezag, de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en door onofficieel opererende groepjes burgers. Daarbij waren plundering van woonhuizen en diefstal van persoonlijke bezittingen van NSB'ers en met hen gelieerde burgers geen zeldzaamheid. De gearresteerden werden soms verbaal aangevallen en lichamelijk mishandeld. Honderden vrouwen werden kaalgeschoren vanwege hun omgang met Duitsers. Hoewel zij dit niet hardop zei, was men overduidelijk van mening dat de overgelopen personen hun behandeling over zichzelf hadden uitgeroepen.


Na de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland werd de NSB verboden en werden veel van haar leden wegens hulpverlening aan de vijand berecht. Mussert zelf werd ter dood veroordeeld en gefusilleerd, Van Geelkerken kreeg een levenslange gevangenisstraf opgelegd en Meinoud Rost van Tonningen kwam op 6 juni 1945 in de gevangenis van Scheveningen onder verdachte omstandigheden om het leven.


Bron: o.a. Wikipedia


De Weerbaarheidsafdeling (WA)


De Weerbaarheidsafdeling (WA) was de geüniformeerde ordedienst en knokploeg van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). De WA bestond van 1932 tot eind 1935 en werd in 1940, na de Duitse inval in Nederland, opnieuw opgericht. De WA leek in veel opzichten op de Zwarthemden van de Italiaanse fascisten en de SA van de NSDAP.


De WA werd eind 1932 opgericht met als taak de beweging, haar leden en Anton Mussert, haar leider, tegen aanvallen van politieke tegenstanders te beschermen. Ook als zaalwacht bij vergaderingen vonden de WA'ers een taak. Ook werd veel verwacht van de propagandistische waarde van deze geüniformeerde formaties.

In theorie was de WA streng gedisciplineerd en slechts verdedigend, in de praktijk bleken ze een vergaarbak voor uniformliefhebbers met een lage geweldsdrempel. Hun optreden veroorzaakte op talloze plaatsen gevechten met tegenstanders.


De Nederlandse regering verbood al snel de deelname van militairen aan de WA en korte tijd later werden aan militairen en ambtenaren het lidmaatschap van NSB geheel verboden. Daarnaast kwamen de ministers Hendrikus Colijn, Jacob Adriaan de Wilde en Josef van Schaik eind 1935 met een wetsvoorstel dat tot een verbod van particuliere weerkorpsen en een uniformverbod voor politieke organisaties moest leiden. De NSB hief dan ook de WA per 31 december 1935 op.


Binnen de partij was deze ontwikkeling voorzien en er was ook op geanticipeerd. De diverse weerafdelingen kregen opdracht zich te organiseren als wandelclubs. Daarnaast ontstond binnen de NSB het Gilde der Voortrekkers, een lichaam dat een belangrijke rol in de propaganda kreeg. Dit Gilde bleek echter voor een groot deel uit voormalige WA'ers te bestaan en de activiteiten mondden dan ook met regelmaat uit in gewelddadigheden.


In het jaar 1936 bleek vooral de Amsterdamse weerafdeling, hoewel officieel ontbonden, slagvaardiger dan ooit. Dit bleek onder meer uit grootschalige ordeverstoringen in de Tuschinski Theater naar aanleiding van de film Heldenkermis en het kort en klein slaan van een vergadering van de rivaliserende fascist Jan Baars. Verder veroorzaakten diverse grootschalige colportagepogingen in de Jordaan flinke vechtpartijen. Deze reeks gebeurtenissen bereikte een climax met uiterst gewelddadige operaties bij Abcoude en in Utrecht, in respectievelijk juli en oktober 1936.

De NSB-top, die voor een legale strategie koos, was allesbehalve blij met deze ontwikkeling. In de hoofdstad onttrokken de ex-WA'ers zich echter geheel aan de greep van het hoofdkwartier. Een krachtmeting tussen partijleiding en basis was hiervan het gevolg. Deze viel uit in het voordeel van de partijleiding, maar de NSB liep ondertussen ernstige politieke schade op. De grote maatschappelijke onrust die het geweld veroorzaakte droeg bij aan het electorale verlies van de partij in mei 1937.

Eind jaren dertig ontstond binnen de NSB de zogenaamde Mussert-Garde. De oprichting van dit korps vond binnen de partij allesbehalve onverdeelde bijval. Met de Wet op de weerkorpsen in de hand maakten politie en justitie eind 1939 en begin 1940 een eind aan deze organisatie, met invallen in Den Haag, Soest en Amsterdam.


Na de Duitse inval in mei 1940 kreeg de NSB de kans haar WA te reactiveren. Deze kon zich nu ongehinderd in het zo geliefde zwarte uniform hullen. Al snel ontstonden in tal van plaatsen gevechten met tegenstanders. Aanvankelijk waren vooral de activisten van de Nederlandsche Unie doelwit van de WA. Spoedig richtte de agressie zich echter ook tegen 'de joden'. Talloze 'anti's' liepen harde klappen op. Aan NSB-zijde vielen eveneens gewonden, en zelfs doden. In februari 1941 brak er een massale vechtpartij uit op het Waterlooplein in Amsterdam toen WA’ers paradeerden door de Jodenbuurt. WA-man Hendrik Koot raakte daarbij dodelijk gewond en de Duitse bezetters grepen dit aan voor de eerste grote razzia in Nederland, wat uiteindelijk het begin van de Jodenvervolging betekende in Nederland. In de latere jaren van de bezetting traden veel oude en nieuwe WA’ers toe tot de Nederlandsche SS en NSKK. Hierdoor bleven minder actieve WA leden over.


De WA kende een op militaire leest geschoeide rangenstructuur en droegen daarbij rode kraagspiegels op het uniform als rangonderscheidingsteken.


Rang                          Onderscheidingsteken

Commandant:            lauwerkrans met wolfsangel rune

Opperheerbanleider:  twee eikenbladen

Heerbanleider:           één eikenblad

Opperbanleider:         vier sterren met twee dunne strepen

Banleider:                   vier sterren

Onderbanleider:         drie sterren met vier dunne strepen

Opperhopman:           drie sterren met twee dunne strepen

Hopman:                    drie sterren

Opperkompaan:         twee sterren met twee dunne strepen

Kompaan:                  twee sterren

Vaandrig:                   één ster met twee dunne strepen

Opperwachtmeester: één ster

Wachtmeester:          twee strepen

Konstabel:                 één streep

Weerman:                 geen insigne


Bron: o.a. Wikipedia


Manchetknoop gedragen door een lid van de Weerbaarheidsafdeling (WA).


De Landwacht


De Nederlandse Landwacht was een Nederlandse paramilitaire organisatie die op 12 november 1943 van Duitse zijde werd opgericht. De Landwacht moet niet worden verward met Waffen-SS vrijwilligerskorps Landwacht Nederland dat in maart 1943 werd opgericht. Na Dolle Dinsdag op 5 september 1944, werd de Vrijwillige Hulppolitie toegevoegd aan de Landwacht.


Kees van Geelkerken, de tweede man binnen de NSB, werd in november 1943 door Seyss-Inquart benoemd tot Inspecteur-Generaal van de Landwacht. Na Dolle Dinsdag viel de Landwacht direct onder Rauter als Befehlshaber der Ordnungspolizei. Na de aanslag op Rauter in maart 1945 werd de Duitse SD'er Eberhard Schöngarth zijn plaatsvervanger. Het hoofdkwartier van de Landwacht was gevestigd in Villa Bloemheuvel aan de Hoofdstraat 23-25 te Driebergen.


De Landwacht bestond voornamelijk uit NSB'ers die met jachtgeweren waren uitgerust. Vandaar dat de bevolking de scheldnaam "Jan-Hagel" bedacht. De Landwachters droegen geen uniform, maar wel een rode armband.

Gevreesd was de Landwacht wel, want op 27 maart 1945 wijdde het illegale Parool er een artikel aan. In dat blad werd gewag gemaakt van talloze arrestaties en executies door diezelfde Landwacht. Het Parool stelde dan ook dat na de bevrijding de Landwachters de kogel verdienden.

De Landwacht werd door de bevolking gehaat onder meer omdat ze de voedselpakketten van de bevolking in de Hongerwinter in beslag namen. Vele duizenden Nederlanders hadden tijdens de hongertochten een lange weg afgelegd om een stuk brood of wat aardappelen te bemachtigen. Hoewel de Landwacht uit leden van de NSB bestond, stond na Dolle Dinsdag aan het hoofd van de Landwacht niet het hoofd van de NSB, Anton Mussert, maar de SS-politiechef Hanns Albin Rauter.

De Landwacht werd voor het eerst op straat gesignaleerd in maart 1944. Ze werd vooral ingezet voor de bewaking van gebouwen, het controleren van persoonsbewijzen en het uitvoeren van arrestaties, huiszoekingen en visitaties.


Leden van de Landwacht droegen de zwarte NSB-partijkleding: zwarte overhemden, zwarte pantalon of rijbroek, zwarte leren motor- of rijlaarzen, zwart lederen koppelriem met bijbehorende draagriem. Al naargelang de weersomstandigheden kon een zwarte tuniek en/of zwarte overjas worden gedragen. Het is niet onmogelijk dat hier en daar zwarte pistooltassen aan de koppelriem werden gedragen. Gezien de vrij beperkte bewapening zal het hier om incidentele gevallen zijn gegaan.


Na de oorlog werd op drie voormalige Landwachters, Gerard Rollema, Gerrit Sanner en Dirk Eijkelboom de doodstraf ten uitvoer gebracht.


Bron: o.a. Wikipedia


Zwart Front en later Nationaal Front


Zwart Front was een Nederlandse fascistische politieke partij die in mei 1934 werd opgericht door Arnold Meijer, een voormalige seminarist, die journalist was geworden. Zwart Front was actief van 1934 tot 1940. Op 30 maart 1940 werd Zwart Front opgenomen in een nieuw opgerichte organisatie, namelijk Nationaal Front dat tot december 1941 heeft bestaan.


Het Zwart Front richtte zich politiek gezien vooral op het fascistische Italië en niet zozeer op het nationaalsocialistische Duitsland. Wel was het Zwart Front fel antisemitisch en trachtte het de NSB qua antisemitisme te overtreffen. Het Front was daarnaast ook fel antikapitalistisch en revolutionair. Meijer constateerde duidelijke overeenkomsten tussen het kapitalisme en het marxisme. Beide kwamen volgens Meijer voort uit het jodendom.


Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 behaalde de partij 8178 stemmen (0,2%) wat ruim onvoldoende was voor een zetel. De meeste stemmen werden gehaald in Oisterwijk in Noord-Brabant. Hier stemden 711 kiezers op het Zwart Front, ruim 21%.

Begin 1940 besloten het Zwart Front en de partij Actie voor de Kleine Boer, ook bekend als Actie Bouwman, zich te verenigen in de nieuwe organisatie het Nationaal Front. Een belangrijk programmapunt bleef de aansluiting van Vlaanderen bij de Nederlandse staat tot een Groot-Nederland. De achterliggende gedachte was, dat mensen die eenzelfde taal spreken deel waren van hetzelfde volk en bijgevolg beter in een en hetzelfde land verenigd zouden zijn.


Na de Duitse inval bood het Nationaal Front samenwerking aan met de bezetter, maar die voelde daar niets voor en in december 1941 werd Nationaal Front verboden. Aanleiding was het verlangen van het Nationaal Front om tegenover de Duitsers een zelfstandige, Nederlandse beweging te blijven, los van de NSB, met behoud van de eigen fascistische invloeden. Toen Duitsland Nederlandse mannen opriep voor de strijd tegen de Sovjet-Unie wilde Meijer, en daarmee het Nationaal Front, dat de vrijwilligers hun eed op de Nederlandse vlag zouden afleggen. De Duitsers eisten echter een eed op de Führer en maakten met het verbieden van het Nationaal Front een einde aan de discussie.


Bron: o.a. Wikipedia


De Nederlandse Unie


De Nederlandsche Unie was een Nederlandse politieke beweging tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, opgericht door een driemanschap bestaande uit Louis Einthoven (hoofdcommissaris van politie in Rotterdam), Johannes Linthorst Homan (commissaris der provincie Groningen) en Jan de Quay (regeringscommissaris van de arbeid). De Nederlandsche Unie werd in juli 1940 opgericht en in december 1941 door de Duitse bezetter ontbonden.


Dit driemanschap richtte zich op 24 juli 1940 tot het Nederlandse volk en riep het op zich te verenigen 'tot doelbewuste arbeid voor het behoud en de versterking van het vaderland en volksgemeenschap en tot voorbereiding van de voorwaarden en de wegen van hun bestaan en welzijn in de toekomst'.

Het doel van de Nederlandse Unie was, onder erkenning van de gewijzigde politieke verhoudingen in Nederland en Europa en in samenwerking met de Duitse en Nederlandse autoriteiten, een maatschappij op te bouwen op basis van een brede nationale samenwerking, een harmonische structuur en sociale rechtvaardigheid.


De oprichters wilden met hun organisatie de NSB de wind uit de zeilen nemen, maar moesten hiervoor wel concessies aan de bezetter doen. Zo meende het drietal in oktober 1940 dat voor naar Nederland uitgeweken Joden een regeling noodzakelijk was. Maatregelen tegen Joden wier familie al generaties in Nederland woonden achtten zij onnodig en ongewenst.


Johannes Linthorst Homan ging het verst in de aanpassing aan de nieuwe politieke omstandigheden. Hij knoopte banden aan met de NSB en het Nationaal Front. Toen nauwe samenwerking niet mogelijk bleek, onder meer omdat de Nederlandsche Unie geen verbod voor Joodse leden wenste in te stellen, poogde Johannes Linthorst Homan vertegenwoordigers van beide organisaties in de Raad van Advies van de Nederlandsche Unie opgenomen te krijgen. In december 1940 leidde dit bijna tot het uittreden van Louis Einthoven en Jan de Quay. De leden van de Unie bleven over het algemeen onkundig van deze perikelen. Zij waren veelal slechts lid geworden om te laten zien dat ze tegen de NSB en de Duitsers waren, droegen trots hun Unie-speldje, bevestigden een Unie-vlaggetje aan hun fiets, en bekommerden zich niet om de koers van de Unie-leiding.


In het voorjaar van 1941 besloot het driemanschap een instituut voor actieve leden niet open te stellen voor Joden. Tot een gedwongen vertrek van Joden kwam het echter niet. Een verzoek van het driemanschap aan Lodewijk Ernst Visser van de Joodse Coördinatie Commissie om Joden te adviseren zich uit de Nederlandsche Unie terug te trekken, legde deze naast zich neer. Met name na de inval van Duitsland in Rusland op 22 juni 1941, werd door de Duitse bezetter van de Nederlandsche Unie een pro-Duits standpunt verwacht. Dat bleef echter uit en in december 1941 werd de organisatie door de Duitse bezetter verboden. De top werd geïnterneerd in Sint-Michielsgestel waar Jan de Quay deel uit zou gaan maken van de Heeren Zeventien, die sprak over de politieke toekomst van Nederland.


Op haar hoogtepunt had de Nederlandsche Unie ongeveer 1 miljoen sympathisanten, waarvan ongeveer 600.000 personen lid waren. De Nederlandsche Unie gaf het weekblad De Unie uit met een oplage van 314.000 exemplaren.


Bron: o.a. Wikipedia


De Nederlandse SS


Het belang van een vestiging van een verlengstuk van Himmlers SS in Nederland berustte op een viertal overwegingen. Ten eerste wenste de SS, als gevolg van de expansiedrift van Himmler, in de veroverde landen een belangrijke positie in te nemen. Ten tweede achtte de SS de oprichting van de Nederlandsche SS van groot belang voor de werving van vrijwilligers voor de Waffen-SS. De Nederlandsche SS kon niet alleen zelf als reservoir dienen, maar had ook een belangrijke taak in het creëren van een basis van waaruit de werving in de toekomst diende plaats te vinden. Ten derde diende de Nederlandsche SS Mussert in de gewenste groot-Germaanse richting te duwen. Tot slot had de oprichting van de Nederlandsche SS een belangrijke propagandistische waarde.


In een ontmoeting op 9 juni 1940 tussen Anton Mussert, leider van de NSB met Gottlob Berger van het Duitse SS-Führungshauptamt (SS-FHA), werd Mussert op de hoogte gebracht van een bevel van Hitler waarin opdracht werd gegeven om Nederlanders voor de divisie 'Wiking' van de Waffen-SS te werven. De Nederlandse vrijwilligers zouden hun eigen Standarte 'Westland' krijgen. Hoewel Mussert zijn medewerking niet verleende en zijn leden opriep vooral geen dienst te nemen bij de SS, ging de oprichting door.

In eerste instantie bleef Mussert zijn medewerking weigeren, maar hij deed vervolgens toch concessies om zijn eigen positie niet in gevaar te brengen. De Duitsers waren zijn halfslachtige houding namelijk zat en dreigden Meinoud Rost van Tonningen naar voren te schuiven, ten koste van Mussert. Om zijn positie te redden ging Mussert daarom in september 1940 akkoord met de oprichting van de Nederlandsche SS, als variant van de Allgemeine (politieke) SS. Zo werd op 11 september 1940 de Nederlandsche SS door Mussert opgericht, formeel als onderafdeling (Afdeling XI) van de NSB. Als 'Voorman' werd Henk Feldmeijer benoemd, die zich in de dagelijkse praktijk echter weinig gelegen liet liggen aan Mussert en diens NSB. Feldmeijer zocht in plaats daarvan meer en meer aansluiting bij de Duitse Allgemeine SS. In de lente van 1941 werd een opleidingsschool voor de Nederlandsche SS geopend op het landgoed Avegoor te Ellecom.

Op 1 november 1942 werd de naam gewijzigd in 'Germaansche SS in Nederland'. Deze naamsverandering benadrukte dat niet langer het Nederlandse aspect van het grootste gewicht was, maar het 'Germaanse'. Zij telde in totaal circa 7000 leden en was in de eerste plaats een politieke formatie en daarnaast tevens een reservoir voor de Waffen-SS. De Nederlandse SS'ers waren gekleed in een zwart uniform, dat was afgeleid van de Duitse SS. Aan het eind van 1944 bestond de Germaansche SS in Nederland slechts nog op papier vanwege het voor de Duitsers en hun aanhangers kerend getij der oorlogsomstandigheden.


Aangezien de Nederlandsche SS een elitekorps behoorde te zijn, kon niet iedereen lid worden. Er vonden selecties plaats op basis van ras, levenshouding, persoonlijkheid en lichamelijke conditie. Om voorlopig lid te worden van de Nederlandsche SS moest de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden:


  1. Arische afstamming vanaf 1800 (voor officieren: 1750), die uiteindelijk moet worden aangetoond. De kandidaat moet op erewoord verklaren dat hem van niet-arische afstamming niets bekend is.
  2. Geen oneervolle strafrechtelijke vonnissen.
  3. Minstens 1,72 m lichaamslengte.
  4. Lichamelijk gezond, aangetoond na onderzoek.
  5. Leeftijd tussen 18 en 30 jaar. Uitzondering voor beproefde nationaalsocialisten van voor 9 mei 1940.
  6. Belofte van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan alle meerderen.


Hierna volgde voor de toekomstige SS-Maat (de laagste rang, een vertaling van het Duitse 'SS-Mann') nog een serie keuringen en onderzoeken op fysiek en genealogisch terrein. Pas nadat deze met succes waren afgerond, werd de kandidaat officieel SS-Mann. Nederlandse SS’ers werden opgeleid op landgoed Avegoor, in het oosten van Gelderland.


De Nederlandsche SS was verdeeld in vijf territoriale standaarden:


  1. Standaard I (Friesland, Groningen en Drenthe) hoofdkwartier te Groningen.
  2. Standaard II (Overijssel en Gelderland) hoofdkwartier te Arnhem.
  3. Standaard III (Noord-Holland en Utrecht) hoofdkwartier te Amsterdam.
  4. Standaard IV (Zuid-Holland en Zeeland) hoofdkwartier te Den Haag.
  5. Standaard V (Noord-Brabant en Limburg) hoofdkwartier te Eindhoven.

Verder was er nog een aparte, van deze indeling losstaande politie-standaard.


De verschillende standaarden waren weer onderverdeeld in groepen (4 man), troepen (40 man met leider), stormen (123 man met commandant en plaatsvervanger) en 3 stormbannen (500 man en stormbanstaf). Deze indeling bestond echter slechts op papier. In de praktijk bestonden de standaarden uit een aantal stormen, die bovendien nog eens matig bemand waren. Gemiddeld telden de standaarden slechts 130 manschappen. Een belangrijke oorzaak voor dit lage aantal was de voortdurende doorstroming naar de Waffen-SS.


Bron: o.a. Wikipedia


Nederlanders in de Waffen-SS


Het SS Freiwilligen Legion Niederlande was een Nederlandse Waffen-SS vrijwilligers eenheid die bestaan heeft van van 1941 tot 1943.

Na het begin van operatie Barbarossa in juni 1941 wilden de Duitsers meer 'Germanen' mee laten vechten in de Tweede Wereldoorlog. Dit leidde tot de werving van onder andere Nederlandse, Belgische, Deense en Noorse vrijwilligers voor de 5. SS Panzer-Division Wiking, maar ook tot de oprichting van het SS Freiwilligen Legion Niederlande. Anton Mussert, leider van de Nationaal-Socialistische Beweging, was groot voorstander van een zelfstandige Nederlandse gevechtseenheid in de Waffen SS. Hij zag dat als een voorloper van een toekomstig Nederlands leger onder Nederlandse verantwoordelijkheid. Het Legion stond echter onder bevel van Duitse officieren. De jonge mannen die dienst namen waren NSB-gezind, anticommunistisch of op zoek naar avontuur. Ze werden gelokt met propagandapraatjes en posters en konden door aanmelding tewerkstelling als arbeider in Duitsland voorkomen. De voorwaarden om dienst te kunnen nemen waren veel soepeler dan die voor de Waffen-SS Wiking divisie. Zelfs een strafblad behoefde geen belemmering te zijn. De verschillen in motivatie zorgde in de eenheid als snel voor wrijving. De sfeer in het Legion was heel anders dan in de Waffen SS, er was een meer Nederlands nationalistische sfeer. De gevechtsbereidheid 'voor de Führer' was er aanmerkelijk minder groot dan bijvoorbeeld bij de Wiking of Totenkopf divisies.


De opleiding was eerst ondergebracht in het Poolse Debica en later in het Oost-Pruisische Arys. Het was vooral grondig en zwaar. Aan het hoofd stond SS-Oberführer Otto Reich. Hij vond, net als de andere Duitse officieren die verantwoordelijk waren voor de opleiding, dat de Nederlanders een inferieure mentaliteit hadden. De soldaten, die vooraf de verzekering hadden gekregen dat de leiding van het Legion uit landgenoten zou bestaan, waren teleurgesteld en boos omdat dit niet het geval bleek. Ze wilden zelfs terug naar Nederland waarna zij meer inspraak kregen.


De Legion werd in het kader van het beleg van Leningrad ingezet nabij die stad. Het was ingedeeld bij legergroep Noord. In 1943 had de eenheid militair en politiek geen bestaansrecht meer. Ze werd opgeheven en het personeel ging over naar de 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade 'Nederland'. Dit werd in 1945 nog even een divisie, namelijk de 23. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nederland (Niederländische Nr. 1).


De 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland was een tactische formatie van de Waffen-SS troepen van nazi-Duitsland , bestaande uit Nederlandse vrijwilligers. Het is ontstaan ​​door de reorganisatie van het Nederlandse SS-legioen in oktober 1943. Na zware verliezen te hebben geleden in de gevechten aan het Oostfront, werd de brigade ontbonden, en de overblijfselen werden in februari 1945 de kern voor de vorming van de 23. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nederland (Niederlandische Nr. 1). 


Nadat het SS Vrijwilligerslegioen "Nederland" zware verliezen had geleden aan het Oostfront, werd het in april 1943 overgebracht naar Sonneberg, waar het de kern werd van de gevormde SS-gemotoriseerde brigade Nederland . Deze brigade bestond uit twee gemotoriseerde regimenten, een artillerieregiment en verschillende hulpeenheden. In augustus 1943 werd de brigade, die een sterkte van 5.500 mensen bereikte, voor verdere training overgebracht naar Kroatië, in de regio Zagreb . Het personeel van de brigade bevond zich voornamelijk in de steden Oroslavje en Donja Stubica, met één bataljon in het gebied van Ratov Potok ten zuidwesten van Zagreb. De brigade voerde veiligheidsdiensten uit op de zijlijn van de spoorlijn Zagreb- Kalovac. Daarnaast nam de brigade deel aan lokale anti-partijgebonden operaties in de buurt van Ludberg, Varazdin en Koprivnica . Hier ontving de brigade versterkingen van 1.500 mensen die voorheen deel uitmaakten van de 5. SS Panzer Division Wiking . In oktober 1943 kregen de gemotoriseerde regimenten 48 en 49 de eretitels "Generaal Seiffardt" (die in 1943 sneuvelde door de Nederlandse verzetsbeweging) en "De Ruyter" (Nederlandse admiraal tijdens de Engels-Nederlandse zeeoorlog ). In november werd de brigade ondergeschikt gemaakt aan het 3. SS Panzer Corps. Medio december 1943 werd de 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland samen met het gehele 3. SS Panzer Corps naar het Oostfront gestuurd in Legergroep Noord. De brigade arriveerde op 3 januari 1944 in de Koporsky-sector van het front. De brigade nam een ​​defensieve positie in in de sector Gorbovitsy-Kernovo. Eind januari 1944 hielden de Nederlanders de lijn in het gebied Kernovo-Shundorovo vast. Op 26 januari 1944 beval de commandant van het 3. SS Panzer Corps, Felix Steiner, zijn korps om een ​​terugtocht te beginnen die gedekt werd door de Nederlandse brigade. Van februari 1944 tot april 1944 nam de brigade deel aan defensieve gevechten in de Narva-sector van het front. Als gevolg van de gevechten van 3 januari 1944 tot 13 april 1944 bedroegen de totale verliezen van de brigade 3.728 mensen. Desondanks bleef de brigade deelnemen aan defensieve veldslagen in de buurt van Auvere en Vaivare. De commandant van het 3. SS Panzer Corps, bedankte herhaaldelijk delen van de brigade voor hun heldhaftigheid en uithoudingsvermogen in de strijd. Naast de infanterieregimenten hebben een artillerieregiment en een antitankeenheid zich goed bewezen. Op 26 juli 1944 werd door een fout van officieren het 48. SS-gemotoriseerde regiment "General Seiffardt" omsingeld en vernietigd in het Asula-bos. Van de 700 mensen die voor de omsingeling in de gelederen zaten, wisten meerdere soldaten met één officier door te breken, werden 350 Nederlanders gevangengenomen en de rest vernietigd. Op 28 juli 1944 opereerde de brigade (zonder het 48. regiment) in het westen van Mummsaari tot de Narva-snelweg en vocht vervolgens defensieve veldslagen uit op de Tannenberg-positie van Ostsi tot Kinderheim. Na gevechten op de Tannenberg-positie in september 1944, begon de brigade zich terug te trekken, via Pärnu en Wolmar naar het gebied ten westen van Doblen . Daarna namen de Nederlanders deel aan defensieve veldslagen bij de Prekuln - Skuodas -spoorlijn . Eind januari 1945 werden de restanten van de brigade over zee van Libau naar Stettin gestuurd . Tijdens het transport werd het Moira-zeetransport met de gelederen van de brigade tot zinken gebracht door een Sovjet-onderzeeër. Er ontstond paniek en slechts enkelen werden gered. In februari 1945 werd de brigade gereorganiseerd tot de 23. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nederland.


De 23. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nederland (Niederlandische Nr. 1) was een divisie van de Waffen-SS. De divisie werd opgericht op 10 februari 1945 uit de 4. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland. De divisie heeft tijdens haar hele bestaan aan het oostfront gevochten, hoewel ze zich in mei 1945 over gaven aan Amerikaanse troepen.


Toen in februari 1945 de 4. SS Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland zware verliezen had geleden, besloot de top van de Waffen-SS om de brigade bij de 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland te voegen. Na protest van de Nationaal-Socialistische Beweging werd deze beslissing teruggedraaid. In plaats van op te gaan in een andere divisie, werd de Brigade Nederland ‘opgewaardeerd’ tot het niveau van divisie, hoewel ze maar 1000 gevechtsklare soldaten ter beschikking had. Na haar oprichting werd de divisie bij het 11. Leger gevoegd.

Ondanks haar zwakke status nam de divisie Nederland deel aan Operatie Sonnenwende en de gevechten nabij Altdamm bij Stettin, Pommeren. In april 1945 werd de divisie opgesplitst in twee kampfgruppes, elk gebaseerd op een van de twee SS Panzergrenadier-Regimenten in de divisie. Kampfgruppe Seyffardt, met als kern 48. SS Panzergrenadier-Regiment, werd naar het zuiden van het front gestuurd, terwijl Kampfgruppe de Ruyter, met als kern 49. SS Panzergrenadier-Regiment, aan de noordelijke sector van het Oderfront bleef.

De beslissende aanval van de Sovjets, die startte op 16 april 1945, had tegen 25 april 1945 de Duitse linies volledig verpletterd. Beide kampfgruppen namen tijdens deze periode deel aan zware gevechten en verloren het contact met elkaar. Kampfgruppe de Ruyter werd teruggedreven tot het stadje Parchim. Op 3 mei 1945 werd de kampfgruppe aangevallen door een groot aantal Russische tanks maar wist de aanval af te slaan en de speerpunt te vernietigen. Toen er geruchten rondgingen over de naderende Amerikanen, brak kampfgruppe de Ruyter uit naar het westen en gaf zich over aan de Amerikanen. De soldaten werden overgebracht naar een krijgsgevangenkamp nabij Kraak (Rastow).

Kampfgruppe Seyffardt werd door de Sovjets naar het zuiden gedreven, naar het gebied rond Halbe. Daar werden de restanten van de kampfgruppe opgenomen door de 15. Waffen-Grenadier-Division der SS (Lettische Nr. 1). Tijdens de enorm zware gevechten  om Halbe werd de kampfgruppe volledig vernietigd.

Overlevenden van de divisie stonden na de oorlog in Nederland terecht voor hun daden. Verschillende hebben de doodstraf gekregen, maar hun straf werd ofwel door de Bijzondere Raad van Cassatie omgezet in een gevangenisstraf ofwel kregen zij uiteindelijk gratie. Niemand is in het kader van de Bijzondere Rechtspleging voor het in vreemde krijgsdienst treden geëxecuteerd.


De 34. SS Freiwilligen-Grenadier-Division Landstorm Nederland was een divisie van de Waffen-SS. De eenheid bestond voornamelijk uit Nederlandse vrijwilligers en was uitsluitend actief aan het westfront. De militaire formatie werd via een verordening van Rijkscommissaris Seyss-Inquart op 12 maart 1943 opgericht als Landwacht Nederland, niet te verwarren met de later opgerichte Nederlandse Landwacht. Aanvankelijk was het een zuiver territoriale militaire eenheid, die werd belast met de bewaking van bruggen en spoorwegen.

Op 16 oktober 1943 verscheen een verordening waarin werd bepaald dat Landwacht Nederland met onmiddellijke ingang de naam Landstorm Nederland ging dragen als SS Grenadier-Regiment om de verwarring met de Nederlandse Landwacht te vermijden. De belangstelling voor dienstname was erg groot. Men kreeg werk, onderdak en eten. Ook hoefde men niet vrezen voor gedwongen tewerkstelling (Arbeitseinsatz) of overplaatsing naar het oostfront, want Landstorm Nederland was een territoriale eenheid. In oktober 1943 telde de eenheid 2400 manschappen. Een gedeelte van deze manschappen waren SS'ers die ongeschikt waren geworden voor gevechtsfuncties aan het front. Vanaf 10 februari 1945, toen de brigade inmiddels een divisie was, werd de naam aangepast naar 34. SS Freiwilligen-Grenadier-Division Landstorm Nederland. Deze naam behield de divisie tot het einde van de oorlog.


Na de uitbraak van de geallieerden uit Normandië kwam het front snel dichterbij. Op 3 september 1944 bereikten de geallieerden Brussel en een dag later bevrijdde de Britse 11e pantserdivisie Antwerpen. Veldmaarschalk Model probeerde het gat in de frontlijn op te vullen met een samenraapsel van eenheden. Hoewel het SS-Grenadier regiment Landstorm Nederland nog in opleiding was, werden twee van de drie bataljons in de strijd geworpen.
Het 1. bataljon SS-Grenadier-Regiment Landstorm Nederland nam ten noorden van Hasselt verdedigingsposities in achter het Albertkanaal en het 2. bataljon werd naar Antwerpen gestuurd. Tijdens de gevechten rond Hasselt bleken de licht bewapende en slecht opgeleide Nederlandse SS'ers niet opgewassen tegen de Britse Guards-divisie. Na enkele dagen moesten ze zich terugtrekken naar het noorden. Via Limburg en de Peel kwamen de overlevenden op de Veluwe terecht. Het 2. bataljon leverde een betere prestatie. Samen met de Duitse soldaten van de 719. divisie wisten ze de Britse opmars af te remmen en op 13 september 1944 slaagden de Nederlandse SS'ers er in het geallieerde bruggenhoofd bij Wijnegem over het Albertkanaal te vernietigen. Door de geallieerde overmacht werden ze echter teruggedreven. Op 3 oktober 1944 kwam het nog tot een felle schermutseling met de 1e Poolse pantserdivisie in de regio van Baarle Nassau en Chaam, waarbij ze tijdelijk de geallieerde voorhoede tot staan wisten te brengen. Midden oktober 1944 werden ze naar de Veluwe teruggetrokken.


Op 17 september 1944 ondernamen de geallieerden een verrassingsaanval met luchtlandingstroepen om een brug over de Rijn te veroveren, operatie Market Garden. Het 3. bataljon, bestaande uit 600 man, werd naar het strijdtoneel nabij Arnhem gestuurd. Pas op 21 september 1944 arriveerden de manschappen per fiets. Ze werden ingedeeld bij de 9. SS Panzer-Division Hohenstaufen als onderdeel van Kampfgruppe Spindler. Spindler hield het slecht opgeleide en licht bewapende bataljon in reserve. Op 23 september 1944 werd het ingezet tegen de Poolse parabrigade nabij Elst. De aanval werd door de Polen moeiteloos afgeslagen. Tijdens en na het gevecht deserteerden vele Landstormers. Na de strijd bij Elst werd het bataljon uit de frontlijn teruggetrokken en naar de Betuwe gestuurd om opnieuw te worden opgebouwd.

Op 1 november 1944 werden de drie bataljons aangevuld met de eenheid Wachbataillon Nordwest en nieuwe rekruten waaronder een groot aantal NSB'ers. Het voormalige SS Grenadier-Regiment Landstorm Nederland werd omgedoopt in SS Freiwilligen-Grenadier-Brigade Landstorm Nederland. De nieuwe bri gade kreeg de relatief rustige frontsector tussen Waal en Nederrijn.


Op 10 februari 1945 werd de brigade omgevormd tot 34. SS Freiwilligen Grenadier Divisie Landstorm Nederland. De status van divisie was louter theoretisch, want ze had nauwelijks de sterkte van een brigade. De divisie verving het 7. Fallschirmjäger Regiment aan het front. Tegenover hen lag de 49e Britse infanteriedivisie en de Nederlandse Prinses Irene Brigade. Dit leidde tot de unieke situatie aan het westelijke front dat landgenoten elkaar bevochten.


Op 24 februari 1945 voerde de 34. SS Freiwilligen Grenadier Divisie Landstorm Nederland nabij Zetten een succesvolle aanval uit tegen een Britse stelling van de 49e Divisie. Deze actie werd zelfs vermeld in het Duitse radionieuws.

Naarmate de oorlogssituatie verslechterde lieten de SS'ers zich van hun slechte kant zien. Voornamelijk de leden van het Wachbataljon en de Oekraïners van het 84. SS Freiwilligen-Grenadier-Regiment hielden zich bezig met het plunderen van de leegstaande huizen. Ook vonden verschillende incidenten plaats waarbij Nederlandse burgers werden neergeschoten. Talloze soldaten deserteerden en de discipline verslechterde tot een absoluut dieptepunt. Op 9 maart 1945 werd door Lippert een muiterij ontdekt en de vier schuldigen liet hij terechtstellen.


In tegenstelling tot bij andere Waffen-SS divisies verliep de capitulatie van de 34. SS Freiwilligen Grenadier Divisie Landstorm Nederland niet vlekkeloos. De Nederlandse SS'ers probeerden hun wapens zo lang mogelijk te behouden, omdat ze op eigen bodem hadden gevochten en in sommige gevallen zelfs tegen hun eigen landgenoten. De geruchten over bijltjesdag deed hun vastberadenheid alleen maar toenemen. Ze wilden zich alleen overgeven aan de geallieerde strijdkrachten en niet aan het Nederlands verzet.

Het optreden van de verzetslieden leidde in sommige gevallen tot escalaties. In Leersum kwam het op 5 mei 1945 tot een vuurgevecht tussen SS'ers en verzetslieden, waarbij één SS'er en drie verzetslieden omkwamen. Als represaille werden bovendien nog vier verzetsmensen gefusilleerd. In Veenendaal probeerde een Wageningse groep van de Binnenlandse Strijdkrachten de SS'ers te ontwapenen. Het kwam tot een schermutseling en drie verzetslieden werden gedood. Pas nadat de Britse 49e infanteriedivisie zich garant stelde voor hun veiligheid legde de 34. SS Freiwilligen Grenadier Divisie Landstorm Nederland op 10 mei 1945 de wapens neer.


Bron: o.a. Wikipedia


De Nederlandse Opbouwdienst (NOD) en Nederlandse Arbeidsdienst (NAD)


De Nederlandse Opbouwdienst (NOD) werd op 27 juni 1940 door de Duitse Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart opgericht. Het betrof een overgangsorganisatie ter ontmanteling van het Nederlandse leger na de capitulatie. De NOD moest een verdere stijging van het werkloosheidspercentage voorkomen, wat voortkwam uit de vele ontslagen Nederlandse militairen.


De NOD zou politiek neutraal zijn en het was verboden om lid te zijn van een politieke partij of organisatie. Het is echter de vraag of dit ook gold voor NSB'ers. Naar zal blijken speelde destijds bij de oprichting van de NOD vooral het eigenbelang van de bezetters een betekenisvolle rol.


De staf van de NOD werd gezeteld in Den Haag en zou vier zogenaamde Opbouwdistricten gaan tellen, gevestigd in Den Haag (District I), Amsterdam (District II), Utrecht (District III) en Arnhem (District IV). Elk district zou worden opgebouwd uit twintig Opbouwkorpsen. Elk Opbouwkorps zou op zijn beurt worden gevormd door vier Opbouwafdelingen die elk zouden gaan bestaan uit 200 man. Een Opbouwafdeling zou bestaan uit vier Groepen van elk vier Ploegen. De NOD zou een personeelssterkte hebben van ongeveer 64.000 voormalige Nederlandse militairen. 


Werd een afgezwaaide militair binnen de NOD eerst nog aangeduid als 'Soldaat', later werd hij bestempeld als 'Werker'. De Nederlandse majoor Jaap Breunese werd de Commandant van de Opbouwdienst. Hij zou vervolgens later de functie van Commandant van de Nederlandse Arbeidsdienst gaan bekleden. Op 1 augustus 1941 zou hij zijn ontslag indienen vanwege een meningsverschil met de Duitse bezetters.


In een brief van 1 oktober 1940 werd door de Duitse Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart het einde van de Opbouwdienst aangekondigd wat inhield dat de personeelssterkte van de NOD werd teruggebracht  naar 20.000 man. Dit getal van 20 000 man zouden worden gevormd door ± 1 000 officieren (inclusie vaandrigs en kornetten), ± 2 000 onderofficieren en ± 17 000 korporaals en manschappen. Voor de overige 44.000 zou een ontslag gaan gelden.

Van de 44.000 voormalige Nederlandse militairen die werden ontslagen, wilden de Duitse bezetters een deel onderbrengen bij de Luchtbeschermingsdienst (± 10 000 man), bij Politie en Brandweer (± 1 500 man), bij de Organisation Todt (± 5 000 man) en bij de SS Standarte Westland (± 200 officieren, ± 500 onderofficieren en ± 3 000 manschappen). Als Nederlandsche Arbeidsdienst (NAD) vloeide op 15 oktober 1940 de Nederlandse Opbouwdienst met de eerstgenoemde dienst samen.


In dezelfde periode waarin de Nederlandse opbouwdienst werd opgericht, speelden ook de belangen van de Duitse bezetter een rol. Deze wilde een arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland opzetten en als motief voor het oprichten van de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) gebruikte de bezetter de noodzaak van het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Als NAD vloeiden op 15 oktober 1940 beide initiatieven, de NOD en de wens voor een arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland, in elkaar. Het motto van de NAD was: "Ick Dien".


Toetreden tot de Nederlandse Arbeidsdienst was in aanvang op vrijwillige basis en de leden werd arbeidsman genoemd. Het was een aantrekkelijke regeling ter voorkoming van werkloosheid voor de voormalige Nederlandse militairen, die werden opgeleid tot kader. In december 1940 werden Nederlanders opgeroepen om zich bij een van de 1024 aanmeldbureaus van de NAD als vrijwilliger aan te melden. Weinigen maakten van deze oproep gebruik, de vrijwilligers stonden niet in de rij en er reageerden meer vrouwen dan mannen. Op 1 januari 1942 werd voor iedere Nederlander, zowel mannen als vrouwen, die in dat jaar 18 jaren werd en op het einde van dat jaar nog geen 23 was, de ongewapende dienstplicht ingevoerd. In 1943 werd wat de mannen betreft ook daadwerkelijk de hele lichting van dat jaar opgeroepen. Vrouwen werden in de buurt van hun woonplaats aan het werk gezet en gingen bijvoorbeeld aardappels schillen voor de kazerne. Voor mannen werden ver van hun woonplaats kampen gebouwd. Zij werkten bij het aanleggen van wegen en kanalen en in de landbouw. De dienstplicht duurde een half jaar. Ook leerden de mannen exerceren met een schop aan de schouder. De training in de NAD was uiteindelijk erop gericht om de mannen op te leiden voor het graven van tankgeulen en loopgraven aan het oostfront. Aan het einde van de dienstplicht werd de mannen een contract voorgehouden voor deze werkzaamheden. Bijna iedereen weigerde om te tekenen en vaak na enige rake klappen te hebben geïncasseerd kon de weigeraar huiswaarts gaan.


Een standaard NAD-kamp had vier woonbarakken rond een appelplaats. Deze woonbarakken hadden elk drie kamers voor zestien personen. Zo’n groep van zestien personen werd een ploeg genoemd. De achtenveertig inwoners van een woonbarak vormden een groep. En alle vier de woonbarakken bij elkaar werden de afdeling genoemd. De leiding bestond uit twaalf ploegcommandanten, vier groepscommandanten en een afdelingscommandant. Deze waren apart van de manschappen gehuisvest of ingekwartierd in een naburig dorp. Naast de woonbarakken was er meestal een keuken- annex kantinebarak, een fietsenbarak, een werkplaats en een stalbarak. De kampen werden vanuit Amersfoort aangestuurd.


De Duitse General Arbeitsführer Walter Bethmann van de Reichsarbeitsdienst (RAD) was gedurende de hele oorlog hoofd van de NAD-kampen. De Nederlandse majoor Jaap Breunese was in het begin waarnemend commandant. Hij was daarvoor commandant van de Nederlandse Opbouwdienst (NOD). Op 1 augustus 1941 nam hij ontslag; hij verzette zich tegen de invoering van de Hitlergroet in de NAD-kampen. Zijn opvolger was luitenant-kolonel Lodewijk Alexander Cornelis de Bock. De kampen liepen op 5 september 1944 (Dolle dinsdag) leeg. Aan het einde van die dag waren nagenoeg alle arbeidsmannen verdwenen, van het kader was nog 25 procent aanwezig. Op 6 september werd De Bock door Bethmann afgezet en op 10 september 1944 werd de NAD opgeheven. Hiervoor waren velen die nog hun dienstplicht uitzaten en velen die nog werkten als leidinggevenden van de dienst verplicht voor allerlei werk voor de Wehrmacht ingezet. De laatst actieve hoofd-arbeidsleider was de NSB'er W.A. Almekinders.


Bron: o.a. Wikipedia


De Technische Noodhulp (TN)


In navolging van de Duitse Technische Nothilfe (TeNo) werd in juli 1941 de Technische Noodhulp (TN) opgericht. De TN zou ingezet worden bij reddings- en opruimingswerkzaamheden na geallieerde luchtaanvallen en voor het repareren van infrastructuur zoals gas en waterleidingen, elektriciteitsvoorzieningen en het ondersteunen van politie en brandweer. De organisatie was ook betrokken bij het oplossen van problemen die voortkwamen uit stakingen.


Iedere Nederlander kon, ongeacht de politieke voorkeur, lid worden. Echter, praktijk wees uit dat de TN nationaalsocialistisch georiënteerd was en het merendeel van de leden bestond uit leden van de NSB. Dit leidde tot een zekere politieke stempel op de organisatie, ondanks dat iedereen lid kon worden, ongeacht politieke voorkeur.


Bron: o.a. Wikipedia