page contents
Dutchhelmets.nl
Diversen (oud-)medewerkers

Diverse spullen afkomstig van (oud-) inlichtingen medewerkers


Door de jaren heen zijn diverse spullen toegevoegd aan de Dutchhelmets collectie die afkomstig zijn van (oud-) inlichtingen medewerkers. Deze spullen zijn door deze (oud-) medewerkers aangekocht of gekregen tijdens hun werk/inzet.


Voormalig Joegoslavië (1991-heden)


Vanaf 1992 tot heden, heeft de Nederlandse Krijgsmacht vele duizenden militairen naar het voormalige Joegoslavië gestuurd. Er zijn dan ook de nodige (gevechts-)inlichtingen functionarissen tijdens deze uitzendingen meegestuurd.


Joegoslavië was tussen 1918 en 2003 de naam van meerdere opeenvolgende staten in Centraal-Europa en Zuidoost-Europa. De hoofdstad was telkens Belgrado. 

Vanaf 2003 heette een deel van het land Servië en Montenegro, in 2006 viel het uiteen in Servië en Montenegro. De opvolgende staten van Joegoslavië zijn Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Slovenië. Het betwiste Kosovo riep in 2008 een eenzijdige onafhankelijkheid uit van Servië en was binnen Joegoslavië een autonome provincie.


De (voormalige) Joegoslavische oorlogen (1991–2001) vormen een reeks van etnische conflicten die losbarstten toen Joegoslavië uiteenviel. Tijdens de oorlogen maakten meerdere partijen zich schuldig aan etnische zuiveringen. De uiteindelijke verdeling van Joegoslavië werd overeengekomen onder internationale arbitrage.


In 1980 overleed maarschalk Tito, die vijfendertig jaar lang de absolute heerser in Joegoslavië geweest was. Zijn land was opgebouwd uit zes deelrepublieken en diverse bevolkingsgroepen, vandaar de noodzaak om elke vorm van nationalisme de kop in te drukken. Daartoe onthief Tito zelfs zijn eigen vrouw Jovanka uit haar officiële functies. Al ruim voor zijn dood was hij begonnen aan een systeem dat moest voorkomen dat de bevolkingsgroepen elkaar naar de keel zouden vliegen. Om te vermijden dat de deelrepubliek Servië te dominant werd, kregen de provincies Kosovo en Vojvodina meer autonomie (1974). Zodoende hadden ze nu een eigen stem in de Joegoslavische Federatieraad, het bestuursorgaan waarin de deelrepublieken samen zaten. Daarnaast werd voorzien in een roulerend presidentschap.

In 1981 groeide een studentendemonstratie rond de universiteitskantine van Pristina uit tot een demonstratie voor meer autonomie voor Kosovo. Ook in de andere regio's kwam het nationalisme op. Het boegbeeld van het nationalisme onder de Serviërs werd Slobodan Milošević, de partijleider van de communisten in Servië. De Serviërs domineerden de regeringen van Servië, Kosovo en Vojvodina. Zij besloten dat Kosovo en Vojvodina terugkeerden binnen het gezag van Servië (1988). Dit betekende dat hun stem in de Federatieraad werd overgenomen door Servië. Milošević wakkerde het Servische nationalisme verder aan met zijn toespraak op de herdenking van de Slag op het Merelveld (1989). Dat jaar werd hij president van Servië.

Milošević genoot niet alleen steun in Servië-Kosovo-Vojvodina, maar ook binnen de regering van de aangrenzende deelrepubliek Montenegro. De macht van de Serviërs irriteerde de vier andere deelrepublieken en in het bijzonder Slovenië en Kroatië. Zij zagen hun autonomie bedreigd, die ze hadden verworven, omdat ze jarenlang belastingen afdroegen aan arme gebieden zoals Macedonië. Om tegengewicht te kunnen bieden, waren deze vier deelrepublieken gedwongen een onderlinge coalitie te sluiten. Bij de verkiezingen van 1990 wonnen, in alle deelrepublieken, de nationalistische partijen. Dit betekende dat de niet-Serviërs nog meer zouden vragen om zelfstandigheid.


Ondanks buitenlandse oproepen om de eenheid te bewaren, verklaarde de deelrepubliek Slovenië zich op 25 juni 1991 onafhankelijk. Aanvankelijk probeerde het federale leger, het zogenoemde Joegoslavisch Volksleger (JNA), het gebied te onderwerpen. De internationale sympathie voor de Sloveense zaak en de onlusten in de overige deelrepublieken noopten echter al gauw tot het Akkoord van Brioni. Het JNA trok zich onmiddellijk terug uit Slovenië. Het land was nu de facto onafhankelijk.


De deelrepubliek Kroatië riep de zelfstandigheid uit op dezelfde dag als Slovenië. De eerste president van Kroatië was Franjo Tuđman. Diens eerste daden bestonden eruit de buitenproportioneel vertegenwoordigde Serviërs uit het bestuursapparaat weg te zuiveren.

In Kroatië en meer bepaald in Krajina en het oosten van Slavonië woonden echter ook etnische Serviërs. Zij wilden niet wonen in een overwegend Kroatisch land. Ze richtten wegversperringen op en stichtten een Servische republiek: de Republiek van Servisch Krajina. Servië stuurde het JNA om de nieuwe republiek te beschermen. In eerste instantie hield Kroatië deze gebieden voor verloren, maar na enige tijd moest Milošević het JNA weghalen om elders te vechten (1991). Dit stond toe aan het Kroatische leger om de opstandige gebieden in te nemen (1995). Enige tijd werd Oost-Slavonië bestuurd door de VN(1996-98), om een vreedzame overgangsperiode te waarborgen.


De deelrepubliek Bosnië-Herzegovina werd bevolkt door 'Bosniacs', 'Bosnische Serviërs' en 'Bosnische Kroaten'. Deze groepen waren verdeeld over de toekomst van hun land. De Serviërs (maar ook een deel van de Bosniacs) wensten binnen Joegoslavië te blijven, aangezien ze zodoende verenigd bleven met andere Servische gemeenschappen. De meerderheid van de bevolking (nl. de Kroaten en de overige Bosniacs) verlangde echter naar onafhankelijkheid, door hun lange frustratie jegens de overmacht van de Serviërs. Reeds vóór alle onafhankelijkheidsverklaringen van 1991 hadden de presidenten Milošević (Joegoslavië) en Tuđman (Kroatië) een geheime ontmoeting, waarbij ze mogelijk bespraken of ze Bosnië-Herzegovina onderling zouden verdelen.

De versnippering van Bosnië-Herzegovina trad eind 1991 in. Eerst verklaarden de Kroaten zich onafhankelijk (18 november), vervolgens de Serviërs (9 januari) en tot slot de Bosniacs (5 april). Een burgeroorlog brak uit, tussen enerzijds de Serviërs, gesteund door de Serviërs van buurland Servië, en anderzijds een unie van Bosniacs en Kroaten. De Serviërs wisten de Bosniacs-Kroaten terug te dringen en sloegen een jarenlang beleg rond de hoofdstad Sarajevo. De oorlog verliep steeds chaotischer. In september 1992 brak de unie tussen Bosniacs en Kroaten en startten ook zij onderling een oorlog. Bovendien besloot een Bosnische zakenman, Fikret Abdić, een eigen ministaatje op te richten rondom de stad Cazin. Hij verdedigde het met een legertje van inwoners en deserteurs. Uiteindelijk brak er een opstand tegen Abdić uit en heroverden regeringstroepen het stadje.

Intussen trachtte de Europese Unie te bemiddelen. Het ene na het andere vredesvoorstel werd echter verworpen. De Serviërs, bijvoorbeeld, wilden niet meer weten van verdelingsplannen aangezien zij al bijna 70% van het land onder de voet gelopen hadden. In de streken die het meest kwetsbaar waren voor geweld vanuit de Servische gebieden, stelde de VN 'veilige gebieden' in. Zij werden beveiligd door de internationale vredesmacht UNPROFOR; deze was echter niet altijd effectief, zoals ook bleek toen de Nederlandse Dutchbat de inname en genocide van Srebrenica niet kon verhinderen (1995). Toen vermoordden de Bosnische Serviërs onder leiding van Ratko Mladić 8.000 islamitische Bosniacs. Elders voerden ook Bosniacs en Kroaten geregeld etnische zuiveringen uit.

Een kantelmoment werd bereikt toen Mladić ook de 'veilige gebieden' Žepa en Goražde aanviel (1995). De VN vaardigde een mandaat uit voor luchtaanvallen tegen Servische en Bosnisch-Servische strijdkrachten actief in Bosnië-Herzegovina die uitgevoerd werd door de NAVO. Tegelijkertijd begonnen de Bosniacs en Bosnische-Kroaten met een groot offensief, waardoor het gebied van de Bosnische-Serviërs slonk tot minder dan 50%. Om een onvoorwaardelijke overgave af te wenden, moesten de Serviërs akkoord gaan met vrede. Aldus ondertekenden ze het Verdrag van Dayton (november 1995). De vooroorlogse eenheid van Bosnië-Herzegovina werd hersteld. Hierin kregen de Bosnische-Serviërs een eigen deelstaat, Republika Srpska (RS) en de Bosniacs en Bosnische-Kroaten vormden de deelstaat Federatie van Bosnië en Herzegovina (FBiH).


Sinds 1988 was Kosovo opnieuw een onderdeel van de deelrepubliek Servië. Na de problemen van 1991 bleef Kosovo binnen Joegoslavië. Toch weerklonken ook hier steeds meer eisen tot autonomie. Onder leiding van de gematigde Ibrahim Rugova werd een ondergrondse parallelle overheid opgezet. Tezelfdertijd ontwaakte het extremistische Bevrijdingsleger van Kosovo (UÇK) en begon met aanslagen tegen politie- en legerposten.

Intussen werd Milošević president van het nieuwe Servië (1997). Het land was echter, gezien het geweld en de nederlaag in Bosnië en Herzegovina, in een internationaal isolement beland. De bevolking demonstreerde tegen Milošević, politici voerden hevige oppositie. Toch slaagde men er niet in hem uit het zadel te lichten. De belangrijkste oppositieleider, Vuk Draskovic, liet zich zelfs omkopen met een belangrijke regeringspost. Milošević besefte dat de Albanese bevolking in Kosovo de ideale zondebok kon vormen om zijn populariteit op te krikken. Hij stuurde de geheime politie en het leger naar Kosovo, teneinde de UÇK te bestrijden en de 'Servische minderheid te beschermen' (1998). Tijdens de offensieven beging het leger opnieuw etnische zuiveringen.

De internationale gemeenschap startte vredesonderhandelingen op. De Serviërs bleven echter weigeren om Kosovo vrij te geven aan de VN. Pas toen de NAVO luchtbombardementen boven Servië ondernam, onderschreef Milošević het Akkoord van Rambouillet. Hiermee leed hij zwaar gezichtsverlies in eigen land. Hij werd afgezet en uitgeleverd aan het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag. Hij zou overlijden in de loop van het proces (2006). Kosovo bleef voorlopig onder bestuur van de VN, onder controle van een NAVO-vredesmacht. In 2008 verklaarde de Kosovaarse regering eenzijdig de onafhankelijkheid. Anno 2019 wordt Kosovo door 111 staten erkend, met Servië en Rusland als belangrijke uitzonderingen.

Aan het eind van de Kosovaarse Oorlog in 1999 was er in eerste instantie door de Verenigde Naties een driemijlszone aangelegd rondom de gemeentes, waarbinnen het leger uit Servië en Montenegro niet toegestaan was te patrouilleren; politie met lichte vuurwapens was dit wel toegestaan. Binnen de exclusieve zone viel Dobrosin, maar bijvoorbeeld niet Preševo. Door de hinderlagen van het Kosovo Bevrijdingsleger in de gedemilitariseerde zone moesten de Serviërs de patrouilles vrijwel meteen staken. Tussen 21 juni 1999 en 12 november 2000 werden er 294 aanvallen gerapporteerd, waarbij er zes burgers en acht politiemensen werden gedood. Zevenendertig mensen werden gewond en vijf burgers gekidnapt. Vanwege deze situatie stond de NAVO toe, dat het Joegoslavisch leger de gedemilitariseerde zone opnieuw in mocht vanaf 24 mei 2001 werden de UCPMB-leden opgeroepen om zichzelf aan te geven bij KFOR. Aan deze oproep gaven 450 UCPMB-leden gevolg, waaronder de commandant Shefket Musliu op 26 mei.


In september 1991 hield de deelrepubliek Macedonië een referendum. Op grond daarvan verklaarde de regering het land onafhankelijk. Belgrado liet de nieuwe Voormalig Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) ongemoeid. Het aangrenzende Griekenland verzette zich eerst tegen een Macedonische staat, omdat het vreesde voor claims aangaande Grieks-Macedonië. Macedonië ontsnapte lange tijd aan etnisch geweld, totdat de Albanese minderheid van Macedonië in opstand kwam (2000-01). Na enige offensieven door het regeringsleger werd, onder toezicht van de NAVO en later van de Europese Unie, een vredesproces in gang gezet. Ten slotte garandeerde het Akkoord van Ohrid (augustus 2001) autonomie voor de Albanese bevolking. Afgezien van kleine onlusten bracht dit een einde aan de opstand.


Ook Montenegro trachtte in de beginfase zijn zelfstandigheid te winnen. Toch was Montenegro niet in staat om zijn onafhankelijkheid te doen gelden, en de centrale overheid verklaarde de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring nietig. Wel werd Milo Đukanović, een tegenstander van Milošević, verkozen tot president. Gestaag bouwde hij de Montenegrijnse politie uit tot een tegengewicht voor de pro-Servische legereenheden. Intussen stelde zijn regering zich zo onafhankelijk mogelijk op. Men werd hierbij geholpen door het feit dat Milošević zich moest bezighouden met andere binnenlandse en internationale problemen. In mei 2006 sprak de bevolking zich in een referendum uit vóór de onafhankelijkheid. Servië aanvaardde de uitkomst.


In de Joegoslavische Oorlogen vochten ook buitenlandse strijders, vooral tijdens de langdurige oorlog in Bosnië-Herzegovina. Aan de zijde van de Serviërs vochten ex-JNA-officieren, paramilitairen uit Servië en vrijwilligers uit diverse christelijk-orthodoxe landen (o.a. Oekraïne, Roemenië, Rusland en Griekenland). Aan de zijde van de Bosniacs vochten moedjahedien: vrijwilligers uit islamitische landen (o.a. Marokko, Algerije, Saoedi-Arabië en Jemen). In sommige gevallen waren ze lid of betrokken bij terreurorganisaties. De Kroaten van hun kant konden rekenen op katholieke en extreemrechtse vrijwilligers (o.a. Ierland, de Verenigde Koninkrijk, Duitsland en Zweden). Voorts deed de regering van Bosnië-Herzegovina een beroep op huurlingen van allerhande komaf.


Voormalig Sovjet-Unie (USSR/CCCP)


De Sovjet-Unie, voluit de Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR, СССР in het cyrillische alfabet), is een voormalige marxistisch-leninistische staat in Eurazië.

Het was een eenpartijstaat die vanaf de oprichting in 1922 tot het uiteenvallen in 1991 werd geregeerd door de Communistische Partij. Hoewel de Sovjet-Unie officieel een unie van vijftien sub-nationale socialistische Sovjetrepublieken was, waren de overheid en economie sterk gecentraliseerd.


De Russische Revolutie van 1917 veroorzaakte de ondergang van het Russische Keizerrijk. Na de Russische Revolutie was er een strijd om de macht tussen de bolsjewistische partij, onder leiding van Vladimir Lenin, en de anticommunistische Witte beweging. In december 1922 hadden de bolsjewieken de burgeroorlog gewonnen, en werd de Sovjet-Unie opgericht door de fusie van de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, de Trans Kaukasische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, de Oekraïense Socialistische Sovjetrepubliek en de Wit-Russische Socialistische Sovjetrepubliek.


Na de dood van Vladimir Lenin in 1924 kwam Jozef Stalin aan de macht. Hij heeft de Sovjet-Unie geleid door middel van een grootschalig industrialisatieprogramma. Stalin ontwikkelde een planeconomie en onderdrukte politieke oppositie tegen hem en de communistische partij. In juni 1941 viel nazi-Duitsland met zijn bondgenoten de Sovjet-Unie aan, dit was Operatie Barbarossa. Daarmee verbrak Duitsland het niet-aanvalsverdrag van 1939, waarbij de beide landen ook Polen onder elkaar verdeeld hadden. Na vier jaar won de Sovjet-Unie de oorlog op het oostfront, en werd het een van de twee grootmachten van de wereld, tegenover de Verenigde Staten.


De Sovjet-Unie en haar Oost-Europese satellietstaten raakten na de Tweede Wereldoorlog verwikkeld in de Koude Oorlog, een langdurige wereldwijde ideologische en politieke strijd met de Verenigde Staten en de westerse bondgenoten, die uiteindelijk voor economische problemen zorgde. In de late jaren 80 probeerde de laatste Sovjetleider Michail Gorbatsjov de staat te hervormen met zijn beleid van perestrojka en glasnost, maar de Sovjet-Unie stortte in elkaar en werd officieel ontbonden in december 1991 na de mislukte Augustusstaatsgreep in Moskou. De Russische Federatie nam haar rechten en verplichtingen over.


Warschaupact, 1955 t/m 1991


Het Warschaupact was een militair bondgenootschap van communistische landen in Oost-Europa, onder aanvoering van de Sovjet-Unie. Het bondgenootschap bestond van 1955 tot 1991 en werd beschouwd als de tegenhanger van de NAVO.


Sovjet-partijleider Nikita Chroesjtsjov besloot in 1955 dat de communistische landen in Oost-Europa de handen ineen moesten slaan. Dit nadat West-Duitsland op 9 mei 1955 lid was geworden van de NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie). De deelname van West-Duitsland was met name de Sovjet-Unie een doorn in het oog. De herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, waarin Duitse troepen onder de codenaam Operatie Barbarossa Rusland waren binnengevallen, stonden nog vers in het geheugen.

De Warschaupact-landen verklaarden te streven naar een collectief veiligheidsstelsel voor Oost-Europa. De communistische staten meenden echter dat ze gedwongen waren eerst met elkaar een verdrag te sluiten. In het verdrag van Warschau onderstreepten de ondertekenaars dat dit wat hen betreft noodzakelijk was.


De ondertekenaars beloofden elkaar ook te steunen bij een eventuele militaire aanval. Het Warschaupact wordt vaak gezien als de tegenhanger van de NAVO. De oprichting van de twee organisaties onderstreepten in ieder geval dat de wereld verdeeld was in twee blokken: het Oostblok, aangevoerd door de Sovjet-Unie, en het Westblok, met de Verenigde Staten als belangrijkste partner.

De landen die na een vierdaagse conferentie op 14 mei 1955 toetraden tot het Warschaupact waren de Sovjet-Unie, Albanië, Bulgarije, Roemenië, Oost-Duitsland, Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije. Ook China was op de conferentie aanwezig, maar dat land trad niet toe. Wel verklaarde de toenmalige Chinese minister van Defensie dat zijn land de Oost-Europese landen te hulp zou schieten als deze door ‘imperialisten’ werden aangevallen.


Illustratief voor de leidende rol die de Sovjet-Unie innam, was dat het gezamenlijk opperbevel van het Warschaupact in Moskou kwam te liggen. De nationale strijdkrachten van de lidstaten bleven onder toezicht staan van de eigen commando’s maar het pact regelde ook de oprichting van een Verenigd Militair Commando, dat toestemming had in alle landen actief te zijn. Aangezien dit commando onder leiding stond van de Sovjet-Unie betekende dit in de praktijk dat er geregeld Russische troepen werden geplaatst op grondgebied van de andere lidstaten. Die andere lidstaten werden door de Sovjets meer en meer als satellietstaten beschouwd. De organisatie van de strijdkrachten van het Warschaupact was ook volledig afhankelijk van de Sovjet-Unie doordat deze ondergeschikt was gemaakt aan het ministerie van Defensie in Moskou.


De landen verplichtten zich niet alleen om samen te werken op het gebied van defensie. Volgens het pact waren de lidstaat ook verplicht elkaar te raadplegen in alle internationale kwesties die elkaars gemeenschappelijke belangen raakten. Hiervoor werd een speciaal Politiek Consultatief Comité opgericht. Ook hier speelde de Sovjet-Unie een zeer dominante rol. Volgens critici, met name in het Westen, gebruikte het communistische land het Warschaupact om een groot socialistisch systeem op te bouwen en de eigen hegemonie in Midden-Europa te verzekeren.

Albanië verliet het bondgenootschap in 1968 en zocht toen toenadering tot communistisch China. Albanië had de samenwerking in 1962 al beëindigd maar trok zich in 1968 formeel terug. Dit nadat lidstaten van het pact Tsjechoslowakije waren binnengevallen vanwege de Praagse Lente.


Het pact hield stand tot 1 juli 1991. In de tussenliggende periode trad Hongarije korte tijd uit. Door onder meer de val van de Berlijnse Muur verloor de Sovjet-Unie haar greep op Midden- en Oost-Europa en verloor het Warschaupact geleidelijk haar politieke en militaire basis. Ook het uiteenvallen van de Sovjet-Unie speelde hierbij een belangrijke rol.

In 1999 traden enkele landen die voorheen lid waren van het communistische bondgenootschap, toe tot de NAVO: Tsjechië, Hongarije en Polen. In 2004 volgden Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, Slowakije en Slovenië.


Rusland na 1991


Ukraine na 1991


Wit-Rusland na 1991


Overige landen